Monografie van Willem van Leusden; Een botsing van veertigjaar

Willem van Leusden schilderde in allerlei stijlen, hij was steeds een navolger van bestaande stromingen. In 1947 maakte hij een doek waarop hij al die verschillende soorten werk uit zijn loopbaan verenigde; een zelfgemaakte terugblik op veertig jaar schilderen.

In 1947 schilderde Willem van Leusden (1886-1974) een liggende voorstelling van zeventig centimeter bij een meter die hij de nauwkeurige titel 1907-1947 gaf. Hij maakte het doek in het atelier van De Marienhof, een zeventiende-eeuws landhuis onder hoog geboomte in Maarssen, dat hij in 1913 betrok.

Toen Van Leusden aan het schilderij begon was hij eenenzestig jaar. Hij had zijn belangrijkste werk gemaakt, al was zijn oeuvre nog niet voltooid. Van de meest uiteenlopende stijlen en technieken had hij zich bediend, geen mogelijkheid had hij onbeproefd gelaten. Hij had in al die jaren weinig verkocht; tekenles geven was zijn voornaamste bron van inkomsten. Zijn laatste vooroorlogse expositie was in 1936 door het Centraal Museum te Utrecht georganiseerd. Een kans op een nieuwe overzichtstentoonstelling had hij voorlopig niet.

Hij kreeg een idee. Misschien kon hij zelf die terugblik schilderen, zijn geliefdste motieven binnen een voorstelling met elkaar verweven. De kans bestond dat de tegenstellingen dan wel erg groot werden, maar wellicht waren ze juist bekoorlijk.

Oud werk ging door zijn handen, meestal een origineel, soms een schets of een foto. Hij zag steeds scherper dat het schilderij alleen met citaten moest worden gevuld, beelden van vroeger waarop hij nauwelijks zou varieren. Zijn leven zou onder zijn handen opnieuw kunnen ontstaan.

Hij besloot chronologisch te werk te gaan. Links boven kwam een deel van een kathedraal, een werk uit het begin van de eeuw. Op de toren, in de uiterste hoek, was plaats voor het jeugdige, romantische zelfportret, dat hij eens naar een door een Belg gemaakte foto had geschilderd.

Het kubisme, vooral de zachte versie van Le Fauconnier en Gestel, raakte hem al vroeg. Toch besloot hij geen tot vakjes verbogen gezicht in zijn retrospectief op te nemen. Die paar expressionistische bomen met hun golvende takken en kruin uit de jaren vlak daarna vormden een sterker contrast met het gladde steen van de kathedraal.

Onder die deinende flora konden de scherpe profielen van twee wajangpoppen als kometen naar beneden schieten, dat gaf aan de hoek links onder een tomeloze vaart. Op dat deel van het schilderij kopieerde hij een houtskooltekening uit 1920, de eerste uit een serie van vier. De wajangpoppen worden op de volgende tekeningen steeds iets abstracter, bij de vierde verijlen ze tot horizontale, verticale en diagonale lijnen, er is nauwelijks nog een gezicht te herkennen. Hij had in die dagen goed bestudeerd hoe Bart van der Leck van De Stijl een vrouw, een ruiter of een bloem in kleurige vlakjes oploste.

Maar voor 1907-1947 had hij het meest aan de herkenbare profielen van de eerste tekening. De abstractie moest immers het midden van het doek in beslag nemen. Hij verlengde de diagonaal die de kin van de rechter wajangpop vormt en liet die uitlopen in het middel van een danseres, een tekening uit de tweede helft van de jaren twintig.

Van Leusden was een kundig tekenaar. Met simpele figuren als de cirkel, het vlak, de cilinder suggereerde hij de beweging, de draaiing van de danseres.

Hij was op de hoogte van het Russische constructivisme, kende het werk van Tatlin, Malevitsj en vooral van El Lissitzky, die had toen hij een paar lezingen in Nederland gaf wel eens bij hem gelogeerd.

En onder de danseres moest natuurlijk die houtskooltekening uit 1929 komen, daarmee stak hij zijn voorbeeld El Lissitzky naar de kroon. Buizen doorsteken vlakken, scheppen een strikt onafhankelijke ruimte, die nergens meer naar verwijst, alleen op papier of doek bestaat.

Of twijfelde hij voor hij dit constructivistische werk op zijn retrospectieve schilderij zo'n prominente plaats gaf? Herinnerde hij zich dat ook die periode maar kort had geduurd? Hij liet de tekeningen zelden aan iemand zien: tot 1973 bleven ze in zijn atelier.

Allegaartje

De linker helft van het doek was nu af; Van Leusden had het verslag van de jaren 1907-1930 gegeven. Het was een wonderlijk allegaartje geworden; een traditionele kathedraal naast min of meer expressionistische bomen, wajangpoppen met een vleugje De Stijl vlakbij die wel gelukte constructivistische vormen.

Wat moest er op de rechter helft komen? De jaren dertig, het werk uit die tijd was zijn trots. Hij had het alleen kunnen maken omdat hij met de geometrische tekeningen volkomen was vastgelopen. In 1930 boden die hem geen enkel perspectief meer. In datzelfde jaar deed hij zijn nieuwste ontdekking, die dit keer beslissend voor zijn leven zou zijn: het werk van Salvador Dali.

Hij was nu vierenveertig jaar, begon surrealistische etsen te maken, de grafiek was hij bij al zijn pogingen om iets nieuws en ongekends te maken trouw gebleven. Een ets van paarden, steigerend in woeste wolken; van een vlieg die een sterk vergrote tepel nadert; van de Venus van Milo, vastgegroeid aan een rots van een baai.

De surrealistische schilderijen van Van Leusden zinspelen meestal wat al te duidelijk op zijn erotische of religieuze vraagstukken alsof zo'n voorstelling hoogstens een dagboekblad in de vorm van een zwartgallige rebus is.

Dali moet voor hem een niet te benaderen voorbeeld zijn gebleven, evenals De Chirico, aan wie Van Leusden door de keuze van zijn onderwerpen paarden, ledenpoppen, standbeelden nogal eens schatplichtig is. Voor 1907-1947 koos hij fragmenten van drie surrealistische doeken.

De vrouw achter het raam met het wapperende gordijn maakt deel uit van L'echec, dat ook wel De schrik wordt genoemd. Op het volledige schilderij is nog een postbode te zien die zich in de diepte, op een pier aan zee, van de vrouw verwijdert. In de lucht zweeft een heer met een alpinopet aan een parachute. Jammer genoeg schemeren de bedoelingen van Van Leusden te duidelijk door de voorstelling heen. De potloodschets van de vrouw, zonder al die moedwillige attributen, is raadselachtiger.

De parachutist is op het retrospectieve schilderij vervangen door een engel die in de wolken verdwijnt. Kijk naar het geheven been van de ledenpop voor de constructivistische buis. Op het schilderij L'homme machine uit 1932 zijn de pop en de engel in elkaars nabijheid. De engel slaat op eigen kracht op de vlucht of misschien heeft de ledenpop hem net een goedgemikte schop gegeven.

Vlakbij de ledenpop probeert een man een naakt uit een schilderij te tillen. Het is een deel van Le moulin passionnel uit 1935. Van Leusden maakte drie doeken met als lokatie het interieur van een molen die de schilderkunst tot onderwerp hebben. Ze behoren tot zijn beste werk; die rare houten constructie in het binnenste van de molen tegenover een tot leven komend schilderij.

Op de rechter beneden hoek van 1907-1947 bleef nu nog ruimte over voor Zelfportret met ledenpop uit 1943. Van Leusden heeft de pop verschoven. Op het werk zelf bevindt hij zich achter de schilder en kijkt naar de grond. Op het overzicht liet Van Leusden de pop bellen blazen.

Het doek was af, veertig jaar schilderen waren aan Van Leusden voorbijgegaan. Wat zou de schilder van zijn werk hebben gevonden? Teleurgesteld was hij niet, anders had hij al die moeite voor dat bewerkelijke doek niet genomen. En toch lijkt het of hij met die bellen blazende ledenpop wilde zeggen dat zijn werk niet al te ernstig moet worden genomen. Meestal blijft hij een leermeester, een docent, die ook in zijn vrije werk eerder een voorbeeld van een stijl geeft, de mogelijkheid keurig aanstipt, dan dat hij zelf veel aan die stijl toevoegt.

Na 1947 poogde hij als verwoed graficus de etstechniek van Hercules Seghers te doorgronden. Het onttrekt zich aan mijn bevoegdheid om te beoordelen of hij daarin is geslaagd. Ik verwijs de lezer naar de pas bij Kwadraat verschenen monografie, geschreven door Dick Adelaar, Jos van Asperen en Michiel Roding.

Het is een nauwgezet boek. Ik heb er verschillende gegevens aan ontleend. De toon is een beetje gedempt, alsof de auteurs ook inzien dat er voor Van Leusden niet te hard op de trom moet worden geslagen.

Zijn gevoel voor humor wordt door hen geprezen. Misschien had Van Leusden geglimlacht als hij wist dat hij met 1907-1947 nu eens werkelijk op de ontwikkeling in de kunst was vooruitgelopen. Met al die dwaze tegenstellingen is het een mooi doek, een schoolvoorbeeld van de botsing der stijlen die in het afgelopen decennium als een teken van vernieuwing is gesignaleerd.

Op elke overzichtstentoonstelling van de jaren tachtig hoort dit schilderij uit 1947 van Willem van Leusden een ereplaats te krijgen.

Dick Adelaar, Jos van Asperen en Michiel Roding: Willem van Leusden, essays over een verhard romanticus. Uitg.

Kwadraat, 206 blz. Prijs fl.59,50.