Mislukking, misverstand en tragedie

Vanavond reikt minister d'Ancona van WVC de Prix de Rome uit, voor architectuur en stedebouw. Wie de winnaars zijn, wordt ook vanavond pas bekend. In zijn lange en grillige geschiedenis is deze prijs, die in 1870 werd ingesteld, vaker niet toegekend dan wel. Voor de winnaars bracht de prijs ook lang niet altijd roem en succes met zich mee. Maar de Prix de Rome bestaat nog steeds en beleeft zelfs een wedergeboorte. 'Ik heb op Naxos niet naar menschen getaald, noch naar muziek of boeken. De poort van Dionysos daar aan zee, de zee zelf en het rijke landschap met de fijne architectuur erin waren mij voldoende. Apolloon en Dionysos zweefden er in de lucht.'

Tijdens zijn reizen langs de klassieke oudheid van zuidelijk Europa en noordelijk Afrika zou Arthur Staal, veelbelovende jonge architect, wel vaker in een dergelijke staat van gelukzaligheid verkeren. De reisverslagen die hij later publiceerde, staan er vol mee. De wereld lag immers aan zijn voeten: hij had de staatsprijs voor architectuur gewonnen, de Prix de Rome, en ging volgens de traditie van de Prix op reis om zich te verdiepen in de kunst van de klassieke oudheid en de renaissance. Op zijn motor was hij zo vrij als een mens kan zijn en zijn verdere loopbaan leek ook nog geregeld: bij zijn terugkeer zou hij op het bureau van zijn vader komen werken, de vermaarde architect J. F. Staal. 'Maar het liep anders, ' zegt de nu 83-jarige zoon.

'In maart 1940 kwam ik terug, in april overleed mijn vader en in mei brak de oorlog uit. Dat was slecht.' Slecht, zeker, maar in zekere zin paste die tegenslag in de merkwaardige geschiedenis van de Prix de Rome voor de bouwkunst. Zelden is het hele proces de prijsvraag, de toekenning, de studiereis probleemloos verlopen, al te vaak leidde de prijs tot mislukking, misverstand, ruzie, zelfs persoonlijke tragedie. Een prijs, kortom, waaraan een zeker risico kleeft. In de honderdtwintig jaar van zijn bestaan is slechts twaalf keer een gouden medaille toegekend. Als dit jaar alles goed gaat, wordt vanavond bekend wie de winnaars zijn van de prijzen voor architectuur en voor stedebouw/landschapsarchitectuur, die voor de tweede keer worden uitgereikt.

Na een lange onderbreking beleeft de Prix de Rome een wedergeboorte. In 1986, twintig jaar nadat de prijs voor het laatst was uitgereikt, is er een nieuwe opzet voor gemaakt. De leeftijdgrens is van 30 naar 35 jaar verhoogd in de hoop dat daarmee ook het niveau zal stijgen; het prijzengeld is verhoogd tot fl.40.000, maar de verplichting tot reizen is afgeschaft. Ook is een prijs voor stedebouw ingesteld. Vanaf volgend jaar telt de Prix de Rome vijf categorieen: aan de bestaande prijzen voor beeldhouwkunst en gebonden beeldende kunst, grafiek en grafische vormgeving, schilderen en theater en architectuur en stedebouw/landschapsarchitectuur worden fotografie en video toegevoegd.

Nu de Prix de Rome zijn stoffige imago van zich af schudt, neemt de belangstelling van vakgenoten en publiek weer toe. Sponsors zien er brood in, het aantal inzendingen voor het onderdeel bouwkunst ligt ruim boven de tweehonderd en het Nederlandse Architectuurinstituut wijdt er een tentoonstelling aan. Daar worden niet alleen de inzendingen voor de prijsvraag van dit jaar geexposeerd, maar wordt ook met foto's, tekeningen, maquettes en documenten uit particulier bezit en de eigen collectie een overzicht gegeven van de bewogen geschiedenis van deze grillige en vaak bekritiseerde onderscheiding.

Lodewijk XIVHet idee van een staatsprijs voor jong talent in de kunsten was van Lodewijk XIV. In 1666 gaf hij de Academie Royale de Peinture et de Sculpture opdracht een stipendium in te stellen. Daarmee ging de winnaar vier jaar naar de Academie de France in Rome om de kunst uit de klassieke oudheid en de renaissance te bestuderen. Begin vorige eeuw bracht Lodewijk Napoleon dit idee naar Nederland. Na de Franse tijd werd hier een Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten opgericht die vanaf 1817 een 'Groote Prijs' uitloofde, waaraan een 'landspensioen' van 1200 gulden was verbonden. De Groote Prijs is weliswaar twee keer uitgereikt, maar in 1845 was er zelfs geen enkele deelnemer en in 1851 schafte Thorbecke hem af. De kosten stonden volgens hem niet in verhouding tot de resultaten; bovendien zou werkelijk talent ook zonder staatsprijs wel naar voren komen, meende de liberale staatsman.

In 1870 was men er kennelijk van overtuigd geraakt dat een land als Nederland niet zonder een staatsprijs voor architectuur kon. De Prix de Rome werd ingesteld en in datzelfde jaar werd de Rijksacademie van Beeldende Kunsten opgericht. De academie gaf weliswaar geen architectuuronderwijs maar moest toch de aan de prijs voorafgaande wedstrijd organiseren.

Het zou nog ruim drie decennia duren voordat de Prix onder dat slechte gesternte vandaan zou komen. Uit bokkigheid liet de academie er 24 jaar over heen gaan voordat de eerste architectuurwedstrijd werd georganiseerd, en toen ook pas onder druk van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst. Uit vrees voor een overstelpende hoeveelheid inzendingen, zoals in Frankrijk gebruikelijk was, stelde de Academie een toelatingsronde in, de 'proefkamp', en beperkte het aantal deelnemers aan de 'eindkamp' bij voorbaat tot vier. De voorzorgsmaatregelen bleken pijnlijk overbodig: deze eerste wedstrijd (1894) leverde welgeteld een deelnemer op, die zich schielijk terugtrok. Met de eerste echte winnaar, J. F. Buchel (1900), liep het nog onfortuinlijker af: kort na het begin van zijn studiereis in 1901 overleed hij, 24 jaar oud, aan een longontsteking. 'Korte blijdschap in een welverdiend, glansrijk succes, ' schreef het Bouwkundig Weekblad.

Uitgesproken talent

Tot aan de Tweede Wereldoorlog leidden zeven van de vijftien 'prijskampen' niet tot een bekroning, hetzij wegens gebrek aan belangstelling of omdat de jury achter geen enkele inzending een 'uitgesproken talent' vermoedde. Was er werkelijk geen uitgesproken talent, of wisten de jury's het niet te herkennen? In ieder geval is de lijst met winnaars geen representatieve dwarsdoorsnede van de stromingen en personen die in de Nederlandse architectuur van belang waren.

Natuurlijk zijn er talentvolle winnaars te noemen van wie de namen in bredere kring bekend zijn: Amsterdamse School-architect J. M. van der Mey (1906), Cor van Eesteren (1921), Arthur Staal (1935), Wim Quist (1958), Piet Blom (1962), Carel Weeber (1966). Maar over vier van deze zes was de jury ontevreden. Cor van Eesteren bijvoorbeeld, lid van De Stijl-beweging, voorzitter van de CIAM en grondlegger van de Nederlandse stedebouw, kreeg na zijn eerste reis naar het Bauhaus in 1922 geen stipendium meer. De jury was not amused door zijn impressionistische aquareltekeningen, ze werden afgedaan als krabbels die 'geen getuigenis afleggen van de geestesverhouding van den Prix-de-Rome tegenover de bouwkunst'. Van Eesteren won in 1921 met een tamelijk traditioneel symmetrisch ontwerp voor een kunstacademie. Zijn concurrent daarentegen, G. W. Tuynman, ontwierp een gebouw met koepels en bogen in alle maten en een plattegrond als van een sneeuwvlok. Maar diens ontwerp was wegens tijdgebrek niet volledig in inkt getekend en Tuynman werd tot zijn verdriet en woede gediskwalificeerd omdat zijn inzending tegen de regels gedeeltelijk in potlood was uitgevoerd. Zoals een vakgenoot opmerkte: 'De opzet van de Prix de Rome maakt, dat het instituut alleen geschikt is voor de volgzamen.'

Evenveel, zo niet meer winnaars zijn in de vergetelheid geraakt of hebben een andere weg ingeslagen. Winnaar goud in 1954, G. J. van der Grinten, is vioolbouwer geworden. De winnaar van zilver in datzelfde jaar, H. van Leeuwen, zei zijn gebouwen als 'versteende publikaties' te beschouwen. Hij werd woonecoloog aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen. H. J. P. de Vries (1918) heeft de rest van zijn leven voornamelijk kerken gebouwd, J. Schipper (1946) heeft na zijn studie van de Zaanse houtbouwkunst vormgegeven aan de Zaanse Schans, een reservaat voor bewoonde houten huizen zoals hij zelf zegt. Een laureaat, H. de Rijk (zilver, 1939) lijkt van de aardbodem gevaagd: meer dan een klein in memoriam hebben samenstellers van de tentoonstelling Hans Ibelings en Lily Hermans over hem niet kunnen vinden.

De Prix de Rome voor Schoone Bouwkunst was flexibeler van opzet dan die voor de andere kunstdisciplines. De schilderprijs bijvoorbeeld werd steeds archaischer omdat de deelnemers nog in de jaren zestig verplicht waren naar het leven te tekenen. Bij de bouwkunst sijpelden maatschappelijke tendensen sneller door. Begin jaren zestig begon de 'maatschappelijke relevantie' een rol te spelen. Vanaf 1962, het jaar waarin Piet Blom won met een ontwerp voor een kinderdorp, moest de winnaar niet alleen uitgesproken talent tonen, maar ook 'een vernieuwende bijdrage aan de ontwikkeling van de Nederlandse architectuur' leveren.

In de jaren zeventig was de weerzin zo sterk tegen alles wat naar concurrentie neigde, dat er helemaal geen prijsvraag voor de bouwkunst werd uitgeschreven, zelfs niet wanneer de deelnemers aan de Prix in plenair overleg een winnaar zouden mogen aanwijzen. In 1982 werd de prijsvraag weer uitgeschreven, maar in de woelige traditie van de prijs werd die wederom niet toegekend. Vanavond echter gaat het er weer zakelijk aan toe, met een jury en zonder plenair overleg, met een thema voor de eindronde dat duidelijk van deze tijd is: een complex met theater, hotel, congresfaciliteiten en een tv-studio aan het Spui in Den Haag.

Ballingschap

In tegenstelling tot de Franse overheid heeft de Nederlandse weinig gebruik gemaakt van de diensten van Prix de Rome-laureaten. Een enkele laureaat is wel in overheidsdienst terechtgekomen: Van Eesteren werkte dertig jaar lang bij de dienst stadsontwikkeling van Amsterdam en Wim Quist werd Rijksbouwmeester, maar dat was vele jaren na het winnen van de zilveren medaille. De enige die dankzij de prijs een opdracht van de overheid kreeg, was Carel Weeber. 'Ex-premier Cals was belast met het organiseren van de Nederlandse inzending voor de Wereldtentoonstelling in Osaka in 1970, ' vertelt hij. 'Hij vroeg Bakema, die bezig was met het Nederlandse paviljoen, de laatste twee Prix de Rome-winnaars daarbij te betrekken. Dat waren Piet Blom en ik. Maar al toen Blom de prijs won wilde hij alleen op papier een 'belangrijke reis in een onbekend land' maken. Hij was toen met de campus van de TH Twente bezig en eigenlijk vond hij Twente al te ver. Ik heb er wel aan meegewerkt. Dat heeft volgens mij ook bijgedragen tot mijn benoeming als hoogleraar aan de TU Delft.'

Weeber maakte een deel van zijn Prix-reizen door het verre Oosten, waarbij hij zijn belevenissen niet meer in schetsen en tekeningen vastlegde maar op film.

Sommige reizigers vielen dus bij thuiskomst in een zwart gat. De overheid zorgde niet voor werk en contacten met potentiele opdrachtgevers in Nederland hadden ze door hun afwezigheid vaak niet meer. Zo bezien was de reis meer een ballingschap dan een bekroning. Arthur Staal had dit voorzien, en zelfs al voordat hij besloot aan de wedstrijd mee te doen, maakte hij met zijn vader een afspraak over zijn toekomst. 'Terwijl ik op reis ging, ' zegt hij, 'gingen al die andere jongens die geen prijs hadden gewonnen, hard aan het werk!' Toen Staal in 1936 vertrok was het reizen nog wel verplicht, maar over de route mocht hij meepraten. 'De politieke situatie was al gespannen en Nederland had sancties getroffen tegen Mussolini. Ik had bovendien al veel tijd in Italie doorgebracht en wilde graag iets nieuws zien.'

In 1936 en 1939 trok Staal door Spanje, Griekenland, Egypte, Noord-Afrika en het nabije Oosten.

De foto in de catalogus toont een zelfverzekerde en aantrekkelijke jonge man op een grote motor ergens in een zuidelijk land. Dank zij de oorlogsdreiging was er geen toerist te bekennen, de Akropolis en de grafkamer van Toetanchamon had Staal voor zichzelf alleen. Maar op zijn motor, met zijn fototoestel en schetsboeken, was hij wel voortdurend verdacht en meer dan eens werd hij opgebracht. Uit 'Hellas': 'Ik brul meteen maar woedend tegen den commissaris, die als een pacha waarschijnlijk al urenlang op zijn prooi zit te wachten. Ik zeg hem, dat ik als architect de honderd kilometer lange en moeilijke tocht speciaal ondernomen heb om deze mooie plek te bezoeken en dat ik in plaats van lastig gevallen, eerder geholpen dien te worden. Gelukkig haast hij zich, na inzage van onze in 't Grieksch gestelde vrijgeleiden die mij onmisbaar leken, gezien mijn vorige gevangenname mij beleefd alles terug te geven. Buiten heerscht zichtbare teleurstelling dat er geen spionnen gefusilleerd behoeven te worden!' De laureaten werden geacht tijdens hun reizen de klassieke architectuur nauwkeurig op te meten en na te tekenen, maar daar trok Staal zich niet veel van aan. 'Een enkel tempeltje, het kleinste dat ik vinden kon.'

Zijn tekeningen zijn met hun dunne inktlijnen en tere kleuren veel persoonlijker dan de academische werkstukken van veel van zijn voorgangers.

Terug in Nederland is Staal geen tempels gaan bouwen, zoals de Franse Prix de Rome-winnaars volgens hem deden. Wel ontwierp hij in 1962 voor een tentoonstelling in Amsterdam over 'Het Atoom' een piramide van honderd meter hoog. 'Honderd meter!' roept hij. 'Met zo'n sterke vorm wordt de natuur ineens gestempeld door een kunstwerk dat de mens heeft gemaakt. Maar het is afgeketst. Als troostprijs mocht ik een hangar op Schiphol maken.'