'Mega-project commerciele flop voor Philips'

EINDHOVEN, 31 aug. Het Europese technologieproject JESSI komt niet in gevaar door de terugtrekking van Philips uit een van de belangrijkste deelprojecten. Dat zegt J. Knorr, leider van de chipdivisie van Siemens. Het bestuur van JESSI vergadert volgende week in Munchen over het afhaken van Philips.

Siemens heeft in het kader van het zogeheten Mega-project, de voorloper van JESSI, vijf jaar lang met Philips samengewerkt bij de ontwikkeling van de produktietechnologie voor een nieuwe generatie chips. Kosten: anderhalf miljard gulden, waarvan een derde door de Duitse en Nederlandse overheid werd betaald. Philips richtte zich op de zogeheten SRAM (es-rem; static random access memory), de statische geheugenchip. Siemens concentreerde zich op de DRAM (spreek uit: die-rem; dynamic random access memory). Als onderdeel van het technologieproject van JESSI zouden Siemens en Philips de komende zes jaar opnieuw samenwerken, dit keer bijgestaan door de Frans-Italiaanse combinatie SGS-Thomson, aan de ontwikkeling van twee volgende generaties geheugenchips. Philips kapt daar nu mee. De onderneming had voor het technologie-deel van JESSI tot 1997 jaarlijks 130 miljoen gulden gereserveerd. Wel wil Philips betrokken blijven bij andere JESSI-projecten: de ontwikkeling van logische schakelingen, basisonderzoek en de toepassing van chips.

Wat de gevolgen zijn van de opstelling van Philips voor de financiering van JESSI is nog onduidelijk. Volgens de oorspronkelijke plannen zouden de Europese Gemeenschap en de overheden van Nederland, Frankrijk en Duitsland de helft van de acht miljard gulden aan projectkosten voor hun rekening nemen. Drs. J. P. Veen, woordvoerder van de Stichting voor Technische Wetenschappen die de belangen van de Nederlandse universiteiten en wetenschappelijke instellingen in JESSI behartigt, verwacht niet dat Philips' terugtrekking uit de statische geheugenchips gevolgen zal hebben voor de Nederlandse inbreng in de overige JESSI-programma's. Hij bestrijdt dat de deelname van Philips in het Mega-project helemaal voor niets is geweest. Volgens hem is het Mega-project voor Philips technologisch wel degelijk een succes geweest en kan op de onderzoeksresultaten nog jaren worden voortgebouwd. Wel erkent hij dat het Mega-project commercieel voor Philips op een flop is uitgelopen.

Dat komt vooral doordat Philips bij het begin van het Mega-project veel te optimistisch is geweest over de groei van de markt. Het gevolg is dat de Nijmeegse fabriek in haar eentje vier keer in de wereldbehoefte aan statische geheugens zou kunnen voorzien. Sommige deskundigen zeggen dat Philips de grootste blunder heeft begaan door zich te richten op de statische geheugenchips. Het concern had volgens hen beter kunnen mikken op de dynamische geheugenchips, waarvoor een veel grotere markt bestaat. Ironisch genoeg zeggen diezelfde deskundigen dat de Nijmeegse chipfabriek in potentie een van de beste ter wereld is.

Mr. W. Ter Welle, bestuurder van de Federatie voor Hoger Philips Personeel (FHPP), noemt stoppen met de statische geheugenchips 'een zwaktebod'.

Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe, dat het misschien maar beter is dat Philips zijn falen toegeeft in plaats van geld in een bodemloze put te blijven stoppen. 'Het erkennen van zwakte zou binnen de onderneming vaker moeten gebeuren.' Wel maakt Ter Welle zich zorgen over de overige chip-activiteiten van Philips. In het verleden heeft het concern steeds gezegd dat het wel gedwongen was grote hoeveelheden geheugenchips te produceren om ook de complexere chips te kunnen maken, waar het de onderneming eigenlijk om gaat. Vanwege hun regelmatige structuur en omdat er een massamarkt voor bestaat, zijn de geheugenchips namelijk bij uitstek geschikt om zo snel mogelijk de noodzakelijke produktie-ervaring op te doen. Ze worden daarom als de technologische wegbereiders beschouwd. Valt die stuwende kracht weg door het stoppen met de geheugenschips, dan zou de produktie van andere chips volgens deze theorie onvermijdelijk technologisch achterblijven. Dat zou op termijn het einde betekenen van Philips als grote en volwaardige chipproducent.

Maar prof. dr. ir. P. W. Dewilde, indertijd lid van de begeleidingscommissie voor het Mega-project, zegt dat deze redenering niet meer opgaat. Volgens hem is de produktietechnologie voor geheugenchips sinds het begin van het Mega-project veel specialistischer geworden en daardoor 'weggegroeid' van de produktietechnologie voor complexere chips. Om voorop te lopen met die andere chips is het dus niet meer nodig om eerst geheugenchips te maken, meent Dewilde. Het is volgens hem dan ook onzin om te denken dat het stoppen met geheugenchips automatisch de resterende chip-activiteiten van Philips ondermijnt. Philips-president J. D. Timmer heeft twee maanden geleden al aangekondigd dat de computerdivisie en de chipgroep ingrijpend gereorganiseerd zouden worden. Hij raamde de kosten op 2,7 miljard gulden, waarvan de helft zou worden gebruikt voor afschrijvingen op gebouwen en machines. Tienduizend van de bijna 35.000 banen zouden verdwijnen. Timmer zei bij die gelegenheid dat de chipgroep weliswaar volgens plan presteerde, maar dat problemen elders in de onderneming het onmogelijk maakten om de verliesgevende activiteiten nog langer 'in dezelfde mate als voorheen financieel te ondersteunen'.

Het aantal produktielijnen moest worden teruggebracht. Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling zouden worden beperkt. Ook diende de chipgroep aan te sturen op meer samenwerking met derden.

De verliesgevende chipgroep van Philips had onder leiding van dipl.ing. H. W. Hagmeister begin vorig jaar al een reorganisatie ingezet, die in november werd versneld. Daarbij werden de chip-activiteiten van Philips en van de Amerikaanse dochteronderneming Signetics samengevoegd en over vijf produktgroepen verdeeld. Ook werd de afstand tussen onderzoek en produktie verkort.

De produktsector Componenten, waartoe de chipgroep behoort, boekte in 1989 een negatief bedrijfsresultaat van 125 miljoen gulden bij een omzet van 12,1 miljard gulden. De omzet van de chipgroep alleen bedroeg 1,69 miljard dollar, drie procent minder dan in 1988. Daarmee handhaafde Philips zich weliswaar op plaats tien van de wereldranglijst, maar geen van de 19 naaste concurrenten deed het wat betreft verkoop slechter dan Philips. Volgens marktprognoses zal de omzet van de Philips' chipgroep ook dit jaar weer dalen, terwijl de markt geheugenchips uitgezonderd met 5 tot 8 procent groeit.

In het eerste halfjaar van 1990 noteerde de sector Componenten een negatief bedrijfsresultaat van 59 miljoen gulden. De chipgroep heeft in Europa vestigingen in Nijmegen, Hamburg, Southampton, Zurich en Caen.