Het Nederlands is mijn redding

De Surinaamse dichter Michael Slory woont in een bouwvallig houten huis in Paramaribo, zonder telefoon of ijskast. Slory, die jarenlang in Nederland woonde, publiceerde begin jaren zestig onder meer in De Gids. Na terugkeer in Suriname in 1970 schreef hij in het Sranan Tongo maar sinds kort beperkt hij zich tot Nederlands en Spaans. 'Als ik hier iets uitgeef, gaat men toch zeggen: ach nee die neger. Zodra men hier merkt dat het via Nederland is gekomen, dan zeggen ze: o ja, het zal wel goed zijn.' We maken al aanstalten om een briefje achter te laten als plotseling het hoofd van een grijzende en kalende neger achter de shutters van het raam verschijnt. Michael Slory blijkt toch thuis. Even later komt de grootste Sranan-dichter van Suriname, sjofel gekleed, aan het hek. Hij heeft het toeteren van de auto wel gehoord, maar veronderstelde dat het voor het huis aan de overkant was bestemd. Slory krijgt zelden bezoek. Bij culturele organisaties blijkt zijn huisnummer aan de Rembrandtstraat in Paramaribo niet eens bekend. En telefoon heeft hij niet. De buitenwereld merkt alleen iets van hem als hij 's morgens vroeg zijn groenten koopt op de centrale markt, lessen geeft aan de avondkweekschool of een gedicht publiceert in het plaatselijke dagblad De Ware Tijd.

Slory is aangenaam verrast. Van onder zijn houten woning, heel Surinaams op hoge neuten gebouwd, sleept hij enkele ongemakkelijke houten stoelen aan.

Eerst gaat het over herinneringen aan Amsterdam, waar hij van 1958 tot 1970 bivakkeerde, onder meer om er Spaans te studeren. Regelmatig liep Slory binnen op de redactie van het Algemeen Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal om zijn Surinaamse vriend Rudy Kross te groeten. Bij de Vereniging Ons Suriname aan het Frederiksplein kwamen de jonge Surinaamse intellectuelen bijeen. Ze spraken over teruggaan en de bijdrage die ze konden leveren.

De bij de decembermoorden omgebrachte journalist Jozef Slagveer, die in extase de grond kuste toen hij op het vliegveld Zanderij terugkeerde, was er ook altijd. Veel van de gedreven creoolse nationalisten werden actief in de door politicus (en schrijver) mr. Eddy Bruma opgerichte Partij Nationalistische Republiek (PNR), die de stuwende kracht was achter de Surinaamse onafhankelijkheid.

Het lijkt alsof Slory (54) lang naar ons bezoek heeft uitgekeken. Weinig woorden zijn nodig om hem in een lang betoog te doen losbranden. 'Dobru (letterlijk: dubbele r, pseudoniem van Robin Ravales, dichter; H. B.) kwam me vragen in Suriname te komen schrijven in het Sranan Tongo. Hij was zelf net uit Algerije teruggekeerd. Ik vond het Nederlands eigenlijk het beste. Mijn vader verkocht kokosolie en kokosnoten aan al die bevolkingsgroepen, hindoestanen, Javanen, dus je kwam bij die mensen over de vloer tijdens feesten, ik dacht toen al dat het Sranan Tongo het bij die mensen niet zou halen. Die anderen namen me dat natuurlijk kwalijk. Man, je bent een neger, zeiden ze, dat kan niet.'

Pak slaag

Dat Slory vanaf 1970 in Suriname uitsluitend in het Sranan Tongo ging schrijven, leverde hem bijna een pak slaag op van zijn ouders, die weinig op hadden met dat 'negerachtige' gedoe. 'Het was hardstikke verboden door onze ouders in de kolonie Sranan Tongo te gebruiken. Die mensen waren dus niet enthousiast toen Eddy Bruma ermee kwam. Wij mochten ons niet met hem bemoeien.'

Slory experimenteerde met sonnetten en kwatrijnen; thema's zijn de natuur en de schoonheid van de zwarte vrouw; politieke ontwikkelingen brachten hem ook tot meeslepende poetische exclamaties.

Onstuitbaar is zijn litanie over de 'opportunisten' van toen. 'Door mijn gedichten zijn ze aan de macht gekomen. Bruma heeft ons schrijvers gevraagd hem te helpen. We vertrouwden hem al niet, want hij gebruikte het Sranan Tongo als springplank. Bruma is nu schatrijk geworden. Als ze eenmaal aan de macht gekomen zijn... Al die vrienden hebben hoge posten. En de personen die voor idealist doorgingen krijgen niks. Als een bedelaar loop ik op straat mijn dichtbundels te verkopen. 'Ik gaf ze harde voorbeelden; ik heb in Holland gewoond en merkte dat de mensen me discrimineerden, daarom schreef ik daar de eerste jaren in het Sranan Tongo; ik heb me doelbewust afzijdig gehouden. Ik werd uitgenodigd op feesten van uitgeverij Pegasus, maar ging niet, want ik wilde niks van die Hollanders. Ze waarschuwden me dat ik daar later spijt van zou krijgen; dat is wel uitgekomen; vanaf 1962 ging ik weer Nederlands schrijven en ik zag kans om, onder Mulisch en Hoornik, in De Gids te publiceren; ik had ook een Hollands meisje. Twintig jaar heb ik hier in het Sranan Tongo lopen schrijven en geen meisje kunnen vinden; alle soorten prijzen heb ik gewonnen, maar nog nooit is me gevraagd op televisie voor te dragen; wat denken jullie van mij, dat ik gek ben? In het ene land discrimineert men, maar als je wat presteert, vind je een meisje; in Suriname, we zijn negers, je kan nog zoveel presteren, je komt niet aan je trekken.

Als Michiel van Kempen (Nederlands criticus en vertaler van Surinaamse literatuur; H. B.) hier niet gekomen was en over mij had geschreven, was ik volkomen in de vergetelheid geraakt. De mensen hier hebben me al die jaren doodgezwegen. Ik schrijf sinds een paar jaar alleen nog maar in het Nederlands en het Spaans.' Hij loopt even naar binnen en komt terug met een plastic tas vol gedichten. Sommigen zijn ingeplakt in oude tijdschriften van het Nederlands Genootschap van Leraren. Slory leest een beetje hakkelend; hij heeft moeite met het eigen handschrift. De zinnen lijken te vervliegen in de lichte bries onder het huis, die tenminste wat verkoeling brengt in de moordende hitte. Op de langgerekte kreet van de cicades sterft het rode avondlicht in de kozijnen. De bloemen liggen als verwelkt op het dak. De liederen in de bomen zijn plots verstomd, de kikkers in het gras vragen wat er is. De adem van de nacht is aangetreden.

Waarom bent u opgehouden Sranan Tongo te schrijven, wil ik weten, maar Slory kijkt alweer naar een ander papier waarop hij een gedicht heeft gekrabbeld. Of het woord 'bruinbont' wel kan, wil hij weten. 'Je hebt roodbonte en zwartbonte koeien. Hier heb ik een gedicht met bruinbonte.'

Hij schrijft ieder moment van de dag, als hij inspiratie heeft; op school of waar dan ook.

Officiele taal 'De mensen in Suriname kiezen nu bewust voor het Nederlands. Ook de zwarten die destijds zo enthousiast waren over het Sranan Tongo, zijn gaan beseffen dat ze het Nederlands maar al te hard nodig hebben. Als hier nu een bosneger zou langskomen, dan verstaat hij u als u hem in het Nederlands aanspreekt. Zelfs zij maken in het bosland duidelijk dat je officieel Nederlands tegen ze kunt praten. Veertig jaar geleden zeiden ze nog, vreemdeling ik begrijp het niet. 'Door het Nederlands probeer ik ook mezelf te redden. Ik ben in een hoek gedrukt, omdat ze me wilden misbruiken voor het veroveren van politieke macht. Als ik in het Nederlands blijf schrijven dan komen de Nederlanders vanzelf om materiaal te vragen voor tijdschriften. Als ik hier iets uitgeef, gaat men toch zeggen, ach nee die neger. Zodra men hier merkt dat het via Nederland is gekomen, dan zeggen ze, oh ja, het zal wel goed zijn. Denk aan de negerkunst in de jaren dertig, die is ook via Parijs gegaan. Toen ze in Parijs zeiden het is mooi, toen zeiden ze in Afrika ook, het is mooi.' De poezie van Slory heeft het respect in Suriname voor de eigen taal vergroot. Nadat de onderwijzer 'Papa' Koenders reeds in de jaren vijftig met zijn blaadje Foetoeboi de weg had gebaand voor het Sranan Tongo droegen Slory en wijlen Dobru en Trefossa (Hennie de Ziel) de nationalistische idealen uit. 'Maar de ontgoocheling is ons niet bespaard gebleven', zegt Slory. 'Langzamerhand ga je de zaak weer herschikken. Na jaren zijn mijn ogen open gegaan. Er is zoveel discriminatie onderling, de lichtgekleurden en de zwarten, zwarten tegen elkaar. Er zijn momenten dat ik verzucht, die onafhankelijkheid! Als we naar de hindoestanen hadden geluisterd... die vonden het nog te vroeg. De achteruitgang is zichtbaar. Suriname heeft geen overstromingen, geen vulkanische uitbarstingen, maar de mensen maken het leven zelf zuur. Zuurmaken, wat ze hier noemen hocuspocus, black magic, alles wordt gebruikt om je kapot te maken. In Suriname is te veel schijn, het is allemaal glimlachen, er zijn te veel groepen. Nu begrijpt u waarom ik me aan het Nederlands vastklamp. Als neger kun je niet zeggen, ik kan rekenen op de hindoestaanse gemeenschap. En de bosnegergroepen erkennen mij ook niet, want ik ben opgevoed door de blanken. Het is net Zuid-Afrika met twee stammen.'

Politiek

Michael Slory becommentarieerde vanaf de jaren zestig vol vuur bijna alle politieke ontwikkelingen in de wereld; hij voelde zich verwant aan de in Frans kolonien opgekomen negritude-bewegingen. In het voorwoord van de bundel Sarka (Bittere strijd), die in 1961 bij Pegasus verscheen schreef Theun de Vries: 'De echo's van de blijde morgengroeten uit Guinea en Ghana, de toornige kreten van pijn en verraad uit Kongo, de nauwelijks nog bedwingbare opstand in Engels Oost-Afrika en de Zuidafrikaanse Unie met haar mensonterende apartheidswaan, brengen ook Surinaamse harten aan het trillen. De Surinamers beseffen omtrent zichzelf, dat zij tot dit bevrijdingsgebied behoren.

Hun poezie wordt een uitspraak aangaande zichzelf en de wereld, waarin het slavernijbegrip ook in zijn kapitalistisch-kolonialistische zin, moet en zal zijn overwonnen.'

Over de gedichten in het Sranan, door Slory geschreven en vertaald onder het pseudoniem Asjantenoe Sangodare, raakte De Vries licht euforisch: 'Er zijn in Sangodare's poezie, die vaak door een muzikale opwelling blijkt te zijn bevrucht, de toon en het ritme van volksinstrumenten, van trommen, kawina's en fluiten; soms lijkt het gedicht zelfs meer uit ritme dan muzikale klank te bestaan, wat niet wil zeggen, dat de woorden daarmee aan zin zouden inboeten.' Over politiek wil Michael Slory niet meer schrijven. Dat dichters en schrijvers bakens kunnen zijn, zoals elders in Latijns-Amerika, gelooft hij al lang niet meer. 'Je wordt misbruikt door mensen met politieke doeleinden, om vakbondsvoorzitter te worden of zoiets. Ik zal geen rol kunnen spelen, want ik behoor tot een groep die niet in tel is. Ze willen zo weinig mogelijk last van die persoon hebben, want ze zien dat in de Derde Wereld schrijvers en dichters toch bepaalde posities bekleden. Altijd moet het zo zijn dat zij de ongelukkigen en armen hebben gered. Als ik nu een half uur op de televisie had voorgedragen, zouden die lui van de Evangelische Broedergemeente me op straat toeroepen: arme jongen we hebben je gered. Dan zeg ik barst maar.' Heel wat Surinaamse schrijvers en dichters zijn al lang naar Nederland vertrokken. Of Slory spijt moet hebben dat hijzelf nooit is weggegaan? Misschien is het wel zijn straf. 'Ik ben blij dat twee oudere zusters van me een Nederlands paspoort hebben en een uitkering genieten. Die hebben gezwoegd op het platteland, zodat ik naar school kon gaan. Ik ben met lege handen teruggekomen, dat is een groot verdriet geweest voor die mensen.'

Slory poogt rond te komen van een leraarsalaris. Nu in Suriname alleen nog de zwarte markt floreert, valt hem dat niet mee. Gelukkig ontbreekt in zijn woning een televisie of ijskast; dat scheelt stroomkosten. De gedachte dat zijn huis voor tienduizend gulden moet worden gerepareerd doet hem bibberen.

Wat heeft hij het meest gemist in het leven? 'Een vrouw', antwoordt hij zonder aarzeling. Zijn wat hoge stemgeluid doet hem plotseling hulpeloos lijken. In november verschijnt bij uitgeverij In de Knipscheer een bloemlezing uit het werk van Michael Slory, getiteld Ik zal zingen om de zon te laten opkomen.