Het moeizame Israelisch-Palestijnse debat ligt aan diggelen

Liberale Israelische intellectuelen zijn verbijsterd over de onverholen steun van de Palestijnse salon-elite in Oost-Jeruzalem aan de Iraakse overrompeling en inlijving van Koeweit. De ergernis van deze Palestijnen over de hooghartige manier waarop hun Israelische vredespartners van gisteren het Palestijnse enthousiasme voor een nieuwe aanzet tot Arabische eenheid veroordelen, kent eveneens geen grenzen.

President Saddam Husseins Koeweitse avontuur heeft zoveel emoties opgeroepen, dat de 'dialoog van de hoop' tussen Israeliers en Palestijnen in een ommezien is ontaard in een 'dialoog der doven'. Het onder moeilijke omstandigheden opgebouwde 'vertrouwen' ligt aan diggelen, alsof er nooit een echte dialoog van hart tot hart is geweest. Plotseling hoor ik in linkse Israelische kringen, die voordat Saddam Hussein de snaren van het pan-Arabische onder de Palestijnen beroerde voor Palestijnse onafhankelijkheid waren, dat de Palestijnen eigenlijk niet te vertrouwen zijn. 'De steun van deze Israeliers aan onze idealen was vals, anders zouden ze ons nu niet afvallen', zegt een Oostjeruzalemse Palestijn verbitterd.

Fundamenteler dan de in beide kampen opgewekte emoties is de culturele kloof die door het felle Israelisch-Palestijnse debat over de Iraakse invasie van Koeweit (opnieuw) is blootgelegd. Kan het democratische Israel in de niet-democratische Arabische wereld integreren, zelfs als enkele Arabische landen nu aan de 'goede kant' staan? Dat is de onuitgesproken kern van de discussie tussen Israeliers en Palestijnen, die een algemene geldigheid heeft voor het Israelisch-Arabisch conflict.

De Palestijnen kunnen niet begrijpen dat de Israeliers op hun achterste benen staan; zij stellen de Arabische eenheidsgedachte op een hoger plan dan het voortbestaan van het soevereine Koeweit en steunen onder andere daarom president Saddam Hussein. Zonder er stil bij te staan dat door de schending van een van de grondregels van het internationale recht de rechtsorde zelf in het geding is, wordt de Iraakse dictator door de Palestijnen als 'held en redder van de Arabische eer' op handen gedragen. Als een natuurwet aanvaarden zij dat Saddam Hussein, uit naam van de historische aanspraken van Irak op Koeweit, zijn gevaarlijke slag heeft geslagen. Zij zijn enthousiast over het feit dat de Iraakse legerscharen het corrupte Koeweitse regime hebben verjaagd. Daarmee is de kous af. In hun fantasie zien de Palestijnen andere corrupte Arabische regimes 'handlangers van het Amerikaanse imperialisme' onder de door Saddam aangewakkerde pan-Arabische emotie al wankelen.

Voor de Palestijnen gaat de Arabische eenheid nu voor alles. 'Alleen een verenigde, sterke Arabische wereld kan vrede met Israel maken en het Palestijnse vraagstuk oplossen', hoorde ik deze week in Oost-Jeruzalem in Palestijnse kring. Als deze Palestijn daaraan het begrip 'democratisch' zou hebben toegevoegd, zou zo'n uitspraak Israeliers hoop kunnen geven. Door Israelische bril bekeken is pan-Arabisme a la Nasser het recept voor totale eliminatie van imperialistische invloed in het Midden-Oosten, wat de vernietiging van de joodse staat inhoudt.

In Israel gestationeerde Westerse diplomaten die de Palestijnse zaak jarenlang een warm hart hebben toegedragen, spreken nu ook van 'kortsluiting' met de Palestijnen. Ook zij zijn ontgoocheld doordat hun Palestijnse vertrouwensmannen geen begrip hebben voor de uit de democratische gedachte voortkomende veroordeling van de Iraakse overmeestering van Koeweit. De Israelische weigering of de twijfel om met de PLO in zee te gaan, spreken nu meer tot hun verbeelding. In deze context heeft ook het zo vaak als propaganda beoordeelde Israelische gezegde dat 'Israel de enige democratie in het Midden-Oosten' is, extra relief gekregen. Die uitspraak drukte niet alleen Israels aanspraak op begrip van de democratische wereld uit, maar verwoordde ook het inzicht dat vrede pas inhoud krijgt als deze tussen democratische staten wordt gesloten, omdat de geschiedenis zou aantonen dat democratieen elkaar nog nooit de oorlog hebben verklaard.

Of Israel er verstandig aan doet op het democratiseringsproces in de Arabische wereld te wachten alsvorens de territoriale vredesprijs te betalen, is zeer twijfelachtig. Dat proces staat niet voor de deur, hoewel sommige Arabische intellectuele kringen onder de invloed van de democratische omwenteling in Oost-Europa inzien dat democratisering een voorwaarde is voor economische ontplooiing en stabiliteit.

Zolang de maatschappelijke ontwikkeling in de Arabische wereld blijft achterlopen op de vaak door olierijkdom verkregen industrialisering, gaat de democratie er achter dikke wolken schuil en hebben of krijgen absolute heersers vrij spel. De opkomst van het islamistische fundamentalisme staat ook om ideologische redenen haaks op de, als een erfgoed van het Westers imperialisme verdachte, democratie.

Israel moet nog lang in een instabiel en onberekenbaar Midden-Oosten leven. Dat is echter geen argument om vrede met de Palestijnen op basis van wederzijds zelfbeschikkingsrecht uit de weg te gaan. Om de democratie te dienen moeten democratische idealen ook door Israel worden eerbiedigd. In afwachting van het democratiseringsproces in de Arabische wereld heeft Israel geen andere keus dan zijn voortbestaan, zelfs als de Palestijnse kwestie vreedzaam wordt opgelost, met het zwaard te garanderen. Dat is een somber toekomstbeeld. Het is geen geen gemakkelijke opgave de 'enige democratie in het Midden-Oosten' te zijn.