Fragmenten van Mozart als reeks erbarmelijke cliches

Wat Mozart en zijn librettisten Varesco en Da Ponte om onduidelijke redenen niet hebben afgemaakt, dat wilde Martin van Amerongen op verzoek van het Antwerpse operagezelschap Transparant tweehonderd jaar later wel doen. Om enige zin te geven aan een scenische uitvoering, schreef hij een verbindende tekst bij de spaarzame fragmenten uit de onvoltooide opera's l'Oca del Cairo (De gans van Kairo) en Lo sposo deluso (De bedrogen echtgenoot), aangevuld met ander los werk. En zo kan men dan nu in de Amsterdamse Stadsschouwburg kennis nemen van volwassen Mozartmuziek die men anders nooit hoort, stammend uit de periode tussen Die Entfuhrung aus dem Serail (1782) en Le nozze di Figaro (1786). De tekst van Van Amerongen legt geen verhalende verbinding tussen de losse scenes, maar is een cabareteske Amsterdamse versie van Mozarts Der Schauspieldirektor. Het is een reeks dialoogjes tussen regisseur Eddy Habbema, die pleit voor uitvoering van deze fragmenten, en Cox Habbema, de sceptische directrice van de Amsterdamse Stadsschouwburg, die aan het slot eindelijk toch nog overstag gaat en haar fiat geeft aan Mozart. Dan stapt ze uit haar rolstoel, wat beduidt dat wie anders denkt dan zij een gehandcapte blijft.

Het publiek moet de Habbema's kennelijk dankbaar zijn dat zij het licht van Amadeus hebben gezien, maar hun eigen verschijning op het podium geeft daar geen aanleiding toe. Als theatermensen zichzelf moeten zijn gaan ze ook acteren dat ze als het ware in hun eigen huid kruipen en dan blijken broer en zus Habbema gewoon slechte en ongeloofwaardige toneelspelers met een gruwelijke dictie.

De tekst van Van Amerongen legt in de mond van Cox Habbema ongeveer alle gemeenplaatsen over Mozart ('de omnipotente alleskunner') en over de onbegrijpelijkheid van operalibretti. Zo kan men zelfs Don Giovanni ridiculiseren. Het is een weinig benijdenswaardige tekst voor Cox Habbema, die sinds kort ook artistiek adviseur is van het Enschedese Opera Forum. Maar wat ze daarover 'naturel' geinterviewd in het nieuwste nummer van het blad Opera zegt, doet er in onbenulligheid niet voor onder. Zo verklaart Habbema in Enschede vanuit haar ervaring kanttekeningen te willen maken 'in de trant van 'jongens, het is te lang, er moet echt een pauze in. Zo is het niet uit te houden'.' Tussen de melige discussies door zien we in een geabstraheerd decor de losse operafragmenten. Voor de pauze zijn ze geensceneerd als citaten van de cliches uit de sleetse buffa-praktijk, na de pauze evolueren ze tot iets substantielers in neo-Felsenstein-stijl, een Habbema-hommage aan de beroemde DDR-regisseur uit de jaren vijftig en zestig. Aan het slot vliegt er een Kaireense gans over het toneel, die veel lijkt op de zwaan uit Lohengrin.

De jonge Belgische en Nederlandse zangers zingen op een zeer acceptabel tot verheugend niveau en dirigent Hans Rotman laat zijn jeugdige Gentse orkest geanimeerd en alert spelen, zodat er toch redenen genoeg zijn kennis te nemen van dit hergebruik van ongehoord mooie Mozart.