Ferrari

In Mantova krijg ik in het hotel een kamer toegewezen, die veel weg heeft van een kloostercel. De kamer heeft geen raam en er is net genoeg ruimte voor een nauw eenpersoons bed. Prijs per nacht: 250 gulden. Als dit zo doorgaat, zal er snel een einde komen aan mijn reis. Italie is het duurste land van Europa geworden.

In de badplaatsen langs de Adriatische kust is het stiller dan normaal, hoewel het water schoner is dan in voorafgaande jaren. De algen zijn weggebleven, maar toch zijn de toeristen niet gekomen. Zelfs voor de Duitsers is Italie onbetaalbaar geworden.

Venetie geeft hetzelfde beeld te zien. Alleen Tsjechen en Hongaren zijn nietsvermoedend in groten getale verschenen. In de Italiaanse kranten staan dramatische verslagen van de trektocht, die uit een bevrijd Oost-Europa op gang is gekomen.

Opeengepakt in primitieve bussen arriveren dagelijks honderden Oosteuropeanen in Venetie. Zij hebben hun eigen levensmiddelen meegenomen en eten hun vette worsten, zittend op een bankje in het park. Voor een weekeinde hebben zij tien D-marken te besteden en bij Florian op het San Marcoplein spelen zich dagelijks hardverscheurende taferelen af. Argeloze Oosteuropeanen, die op het terras een espresso met een ijsje bestellen, zien bij het afrekenen in een klap hun hele vakantiegeld weggemaaid.

Volgens de Itaiaanse kranten zijn de Polen het ergste. Zij slapen ook in hun autobussen en doen hun ontlasting bij voorkeur achter bomen. 's Ochtends zepen zij zich in en nemen, ten overstaan van onthutste gondeliers, een duik in de Venetiaanse kanalen. De stadsbestuurders vrezen dat op deze manier spoedig de cholera in Europa weer haar intrede zal doen.

In Florence is de situatie wat anders. Even voorbij Ponte Vecchio liggen de duurste winkelstraten ter wereld. Het afgelopen jaar heeft er een veldslag gewoed tussen de plaatselijke middenstand en grote groepen Afrikanen, die hun kleedjes, kettingen en sieraden rechtstreeks aan de toeristen trachtten te slijten. Uiteraard hebben de Afrikanen het in deze ongelijke strijd afgelegd. Met harde hand zijn zij weggeslagen en om te voorkomen dat zij terug komen, patrouilleren op iedere straathoek twee politieagenten. Hier is geen plaats voor straatmuzikanten, vuurvreters en gelegenheidsacrobaten.

In Italie moet alles wijken voor de goede smaak. Vooral Toscane wordt bewaard als een groot reservaat van goede smaak. Vijfhonderd jaar is het design van het landschap praktisch onveranderd gebleven. De wegen zijn er grotendeels nog onverhard; de landgoederen zijn er nog altijd in handen van dezelfde families. In de zomer trekt men middeleeuwse kleren aan, houdt optochten en steekspelen. In de winter gaat men op jacht naar lynxen en stekelvarkens.

Bij Florence, in het Forte di Belvedere om precies te zijn, zag ik de tentoonstelling l'Idea Ferrari, even schitterend als absurd en misschien juist daarom zo Italiaans. Vanaf het fort kijk je uit over de stad, een panorama van kerken, bruggen en pleinen, dat van de Michelingids drie sterren heeft gekregen. Op deze plaats hebben de beelden gestaan van Donatello en later in 1972 die van Henry Moore.

Maar nu staan er in grote vitrines, die meer op glazen kaasstolpen lijken, de auto's 'bolides', zegt de catalogus die Enzo Ferrari tijdens zijn leven heeft gebouwd.

Felrode en gele sport- en raceauto's zijn het, glimmend gepoetst en voorzien van nieuwe banden. Het publiek loopt om de vitrines heen en gluurt naar binnen, alsof daar het Goud van de Thraciers ligt. De raceauto als kunstvorm, zoals Marinetti al zeventig jaar geleden had beweerd. De geexposeerde auto's zijn ook voorzien van kleine bordjes, waarop de handtekening staat van de man die de carrosserie heeft vormgegeven. Prachtige namen in sierlijke letters geschreven: Formenti, Michelotti en Pininfarina.

De titel van de tentoonstelling moet een mengeling zijn van ironie en megalomanie, want in werkelijkheid werd Ferrari gedreven door een bijzonder simpel idee: sneller. In feite was Ferrari niet geinteresseerd in het soort sportauto's, dat vooral bedoeld is om er een maifoutief tekentresse mee te vervoeren. Ferrari wilde races winnen, zoals anderen de ambitie hebben om wereldkampioen hardlopen of schaken te worden.

Pas veel later, toen hij erachter kwam dat hij om te kunnen racen ook auto's moest verkopen, is hij auto's gaan bouwen voor de rijke man in de straat. Telkens als ik weer zo'n gorilla in een sportauto voorbij zie scheuren, vraag ik mij af wat voor soort mannen er nu eigenlijk in zo'n wagen rijdt. Het is onhandig instappen en erg comfortabel zit het niet. De auto's zijn nauwelijks geveerd en de kofferbak is net groot genoeg om een paraplu mee te nemen. Als je harder dan 120 rijdt, wat trouwens al helemaal niet mag, kun je elkaar door het geraas van de motor nauwelijks meer verstaan. Wat moet je eigenlijk met zo'n auto? Of is alle kunst per definitie nu eenmaal zinloos? In zijn memoires, die hij in 1963 heeft geschreven, zegt Ferrari dat er drie soorten klanten voor zijn auto's zijn: de snob of opschepper, de man van boven de vijftig en de sportliefhebber. De snob, meestal in het gezelschap van een mooie vrouw, koopt een Ferrari zoals anderen een theeservies kopen. Mannen van vijftig willen hun maatschappelijk succes bekronen met de aanschaf van 'een fel reagerend raspaardje, dat hun het gevoel geeft dat zij jaren jonger worden'.

De meeste sympathie had Ferrari voor het type van de sportliefhebber en daartoe rekende hij uitdrukkelijk prins Bernhard. In vroeger tijden bracht prins Bernhard zeker tweemaal per jaar een bezoek aan de Ferrari-fabrieken in Maranello om iets leuks uit te zoeken. Volgens Ferrari heeft Juliana eens wanhopig uitgeroepen: 'Voor mijn echtgenoot is niet Rome, maar Maranello de hoofdstad van Italie.' Hoeveel Ferrari's de Prins der Nederlanden in de loop der jaren heeft gekocht, vermeldt Enzo niet. Maar genoeg, vermoed ik, om mij daar in de Toscaanse heuvels, met het uitzicht op het Piazza del Duomo en staande voor een vitrine met een rode racebolide, even aan een Lockheed-vliegtuig te laten denken.