De spoorbiels van de jaren negentig in opmars; Neo-barok aanhet plafond

De opmars van de kroonluchter is nu echt niet meer te stuiten. In Amsterdam kan geen restaurant opengaan of verscheidene exemplaren sieren het plafond. In de aprilnummers van Avenue, Eigen Huis en Interieur en Nouveau (Maandblad voor de vrouw met smaak) staan negen kroonluchters afgebeeld, waarvan sommige inmiddels bij de Bijenkorf uit voorraad zijn te leveren.

In bepaalde kringen is de kroonluchter natuurlijk nooit weggeweest. Dat geldt in de eerste plaats voor het chique patriciersdecor, in de tweede plaats voor de volkse imitatie daarvan: de Jordanese rococo. Maar het opvallende is dat de kroonluchter de laatste tijd te vinden is in milieus die vroeger wars waren van ieder vertoon van weelderigheid. Met de kroonluchter komen overigens ook andere barokke elementen het eigentijdse interieur binnen: goudomrande spiegels, gedrapeerde gordijnen, zelfs pluche.

Halogeenlamp

Interieurdeskundigen zien hierin het begin van een neo-barokke fase in de binnenhuisarchitectuur, die ze verklaren als een reactie op het strakke design van de jaren tachtig en de dunne ongezelligheid van de halogeenlamp. Maar met Thorstein Veblen's Theory of the Leisure Class in het achterhoofd krijgt het verschijnsel er een interessante dimensie bij.

De toplaag van de maatschappij, aldus Veblen, vernieuwt zich voortdurend, maar maakt haar superioriteit steeds op twee manieren duidelijk: door demonstratieve consumptie en door demonstratief nietsdoen. Pracht en praal, het beoefenen van de jacht, het spelen van golf of het verzamelen van kunst, het zijn statussymbolen die door de eeuwen heen een taal zijn geworden die door iedereen wordt begrepen.

Veblen's theorie dateert uit de vorige eeuw, maar blijkt nog altijd actueel. Voor de ambitieuze generatie van de jaren tachtig was nog maar nauwelijks een naam verzonnen, of deze groep was al druk bezig de gewoontes van de oude elite over te nemen. In de opera was opeens geen plaats meer te krijgen, voor golfverenigingen braken gouden tijden aan. Niet veel later begonnen ook de attributen waarmee de hoogste klasse zich van oudsher omringt op te rukken naar de Nederlandse huiskamer. Voila, de nieuwe weelderigheid was geboren.

Hoogovens

Antiquairs in Amsterdam waren de eersten die het merkten. Een paar jaar geleden begon er voorzichtig vraag te komen naar kroonluchters, die vroeger soms bij Hoogovens belandden, omdat niemand er meer dan de smeltwaarde voor over had. De prijzen gingen al snel omhoog. Inmiddels zit je voor vijfduizend gulden pas ongeveer in 1860 en de prijzen kunnen doorlopen tot ver over de honderdduizend gulden.

Een probleem van antieke kroonluchters is dat ze vaak te groot zijn voor moderne woningen: je zou er voortdurend je hoofd aan stoten. Vandaar dat zo'n oude kaarsenkroon vaak boven de eettafel terecht komt iets waar onze voorouders vreemd van zouden hebben opgekeken, al was het alleen maar omdat het licht van de kaarsjes de tafel nauwelijks bereikt. 'Spelen met antiek' is het subtiele eufemisme dat de antiekbranche voor dit soort oplossingen heeft bedacht. De modieuze gewoonte om oude bronzen luchters met klimop te versieren valt vermoedelijk onder dezelfde noemer.

Waterleidingbuis

Inmiddels is de belangstelling voor de kroonluchter doorgedrongen tot de zogenoemde early adopters, een marketingterm voor mensen die niet graag als eerste met iets nieuws komen, maar er wel snel bij willen zijn. Op rommelmarkten en in curiosawinkels worden ze op hun wenken bediend. De prijzen zijn ook meteen een stuk vriendelijker, want we hebben hier slechts te maken met kopieen van antieke modellen of fantasie-antiek, meestal nog geen honderd jaar oud. Er zitten exemplaren tussen die je de tranen in de ogen doen springen: luchters in de vorm van een tuil rozen met stengels van klatergoud en bloempjes van grijswit porselein, explosies van pegels, druppels, kralen en pareltjes met namaakrobijnen of -smaragden ertussen. Je komt in de verleiding te vragen of er, als je ze aandoet, ook muziek uitkomt. Hier natuurlijk geen kristal, maar glas en geen brons, maar waterleidingbuis. Voor wie het verschil niet ziet is de aanwezigheid van elektrische bedrading een betrouwbare aanwijzing voor namaak.

Ook ontwerpers haken in op de trend. Sinds een jaar of twee zijn hier en daar moderne kroonluchters te koop, die onderling natuurlijk sterk verschillen, maar als gemeenschappelijk kenmerk een soort zwierigheid hebben, die je in moderne verlichting niet vaak aantreft. Er zitten prachtige exemplaren tussen. Meestal hangt er een fraai vormgegeven kaartje aan, dat behalve de prijs (vanaf ongeveer 1500 gulden) ook de naam van de ontwerper vermeldt. Populair zijn modellen met een versiering van bladmotieven in mosgroen of roestkleurig ijzer.

Consumentengedrag is voor een groot deel voorspelbaar: voorbij een bepaald punt kan de acceptatiecurve alleen nog maar omhoog. Wat zich nu aandient als neo-barok zal dan ook binnen een paar jaar ontaarden in een explosie van neo-kitsch die alle Nederlandse huiskamers zal overwoekeren. De kroonluchter lijkt hard op weg de spoorbiels van de jaren negentig te worden.