De schier ingeboren tactiek van traineren

Niet bekend

De andere overweging heeft te maken met de plaats van een klein land in de internationale politiek. Nederland heeft weinig te winnen bij machtsconflicten om de eenvoudige reden dat het machteloos zal blijken te zijn als het er echt om gaat. Men weet zeer goed dat de beslissingen over het tempo en de richting van de militaire betrokkenheid van Nederland uiteindelijk geen soevereine beslissingen zijn. En daarmee staat een andere geloofwaardigheid op het spel: wie wil de eventualiteit van Nederlandse slachtoffers voor zijn verantwoording nemen?

Halfslachtig beleid

Dat dilemma vormt de achtergrond van een halfslachtig besluit: wel schepen sturen teneinde de buitenlands politieke legitimiteit niet te schaden, maar geen taakstelling die oorlogshandelingen in voorkomend geval vastlegt ten einde de binnenlands-politieke legitimiteit niet te riskeren. Daarnaast zien we een onbepaaldheid die voortkomt uit de wens de Amerikanen te volgen, maar dan wel onder de vlag van de Verenigde Naties. Dat is natuurlijk een welkome rechtvaardiging, maar bij gebrek aan VN-commandostructuur heeft het geen enkele militaire betekenis. En vooral, Godlof, waren er nog twee weken bedenktijd.

Die zijn nu bijna voorbij. De besluitvorming in het kabinet vandaag schept waarschijnlijk iets meer duidelijkheid, maar ook niet veel meer. Deelneming aan de blokkade, gebruik van minimaal geweld indien nodig, maar nog steeds geen antwoord op de meer principiele vragen over deze missie. Daarbij gaat het dus allerminst om het speculeren over hypothetische mogelijkheden zoals Van den Broek zijn ongeduldige critici graag voorhoudt.

De Nederlandse regering koestert zich nog steeds in de diplomatieke adempauze, die voorafgaat aan de voltooiing van de militaire opbouw door de Verenigde Staten. Tot zover zijn we dan ook op vertrouwd terrein. Een mengeling van lichte hypocrisie en gerechtvaardigd onbehagen in internationale aangelegenheden is nu eenmaal het lot van een kleinere natie.

Het probleem is dat met een halfhartig beleid geen publieke steun verkregen kan worden en ook geen verantwoording wordt afgelegd. Op geen enkel moment is de werkelijke draagwijdte van het besluit in het openbaar verdedigd: dat Nederland het risico van militaire betrokkenheid in de Golf-crisis neemt met alle verschrikkelijke consequenties van dien, en daarbij in sterke mate afhankelijk is van de Amerikaanse strategie. De volledige scheiding die de regering lijkt te maken tussen het besluit om marinetaken te vervullen in de Golf en eventuele oorlogshandelingen, zal bij een escalatie niet veel praktische betekenis meer hebben. Het is ondenkbaar dat in het geval van oorlog de Nederlandse fregatten op veilige afstand hun rondjes varen.

Publieke en parlementaire meningsvorming over een beleid dat willens en wetens dat risico aangaat, is essentieel. Daarbij moeten alle gevolgen van het besluit om schepen te sturen tot en met het riskeren van driehonderdzestig mensenlevens werkelijk worden afgewogen. Natuurlijk verkeren militaire besluitvorming en de openbare meningsvorming met elkaar op een moeizame voet. Maar mocht het mis gaan, dan is een van te voren gerealiseerde consensus of althans een integere poging daartoe, van groot belang.

Zou Van Hamel zich ook bevestigd zien in zijn bijtende oordeel over de 'zorgelooze bijziendheid op internationaal-politiek terrein' van Nederland? Aannemelijk is dat hij de Nederlandse hoop op de Verenigde Naties in deze categorie zou plaatsen. Afgezien van de alibi-functie van de Verenigde Naties, heeft een klein land zeker alle belang bij een levensvatbare 'internationale gemeenschap', die niet enkel loze symboliek oplevert maar ook de daad bij het woord voegt. Hoe meer het recht over de macht zegeviert, hoe opgeluchter Nederland kan ademhalen. Maar het gevaar is dat men deze wensen voor de werkelijkheid houdt. Dat men werkelijk gelooft dat de wereld van na de Koude Oorlog op weg is naar een unieke eenwording. De argumenten zijn bekend. De toegenomen rol van de Verenigde Naties en de vrijwel unanieme veroordeling van Irak worden in deze optiek verklaard uit de steeds sterker wordende economische afhankelijkheid of interdependentie. Ondanks of misschien wel dank zij de oorlogsdreiging leven we in tijd van internationale euforie en het geloof in interdependentie als drijvende kracht naar een harmonieuzere wereldorde lijkt onaangevochten. Dat liberale geloof is oud.

Helaas zijn er enkele gegevens die het opgewekte beeld verstoren. Allereerst is niet alleen de oorsprong van het Golf-conflict gelegen in een gefrustreerd nationalisme, maar ook de toekomst van deze regio zal in dat teken blijven staan. De Westerse interventie zal dat sentiment eerder aanwakkeren. Hoe men het wendt of keert: ook na een ontruiming van Koeweit blijft het onduidelijk wat het ordenend vermogen van de internationale gemeenschap in dit gebied nu werkelijk is.

Verder kunnen alle resoluties van de Veiligheidsraad niet verhullen dat ze telkens achteraf komen en reeds genomen initiatieven legitimeren. Dat is niet zonder betekenis, maar al het multilaterale overleg ten spijt trekken de Verenigde Staten hun eigen plan. Zonder dat eigenmachtige optreden was de Veiligheidsraad tot weinig in staat gebleken. Het is lang niet zeker dat de Verenigde Naties tot een effectief weerwoord in staat waren geweest op het moment van een invasie in Saoedi-Arabie.

Breukvlak

Sommigen zullen tegenwerpen dat we op het breukvlak van de oude en de nieuwe wereldorde staan. Zo bezien is de rol van de Verenigde Staten een echo van het verleden die steeds zwakker zal worden ten gunste van een collectieve diplomatie.

Maar zien we nu niet de paradoxale gevolgen van het einde van het Oost-Westconflict? Het lijkt er in ieder geval sterk op dat de energie die was geinvesteerd in de Oost-Westtegenstelling, nu veel vrijer kan worden gebruikt. De Amerikaanse plannen voor een snelle interventiemacht in het Midden-Oosten (de Rapid Deployment Force) waren altijd moeilijk te combineren met de NAVO-verplichtingen in Europa. Die tijd ligt nu achter ons. Daarmee is overigens niets gezegd over de juistheid van de Amerikaanse reactie, maar Nederlandse diplomaten breken zich nu al het hoofd over de vraag hoe de Amerikanen ooit weer wegkomen uit de Golf.

Het is interessant dat de meeste NAVO-landen altijd zeer huiverig zijn geweest om optreden buiten het verdragsgebied ('out-of-area' operaties) binnen de NAVO te coordineren. Men wilde niet in Amerikaanse 'avonturen' verzeild raken. Het gevolg is nu dat landen als Nederland goeddeels afhankelijk zijn van de Amerikaanse militaire planning, zonder enige vorm van geregelde inspraak. Gezien de smalende uitlatingen van premier Thatcher over de 'minimale inzet' van andere landen en gezien de Franse reserves lijkt de samenwerking in de Westeuropese Unie ook niet werkelijk van de grond te komen. Nederland volgt het spoor van de Amerikanen en Britten en daar is het traditioneel ook toe genegen.

Het '1914-gevoel' ofwel het enthousiasme waarmee de ontplooiing van de militaire macht in de Golf gepaard gaat past ook niet helemaal in het optimistische beeld van een nieuwe wereldorde. 'America stands up!' kopte de toch redelijk bezonnen New York Times boven het eerste redactionele commentaar. Allemaal heel begrijpelijk, maar wie sprak daar over de lessen van Vietnam? Hebben we te maken met het nationalisme van een neergaande wereldmacht of is Amerika na de instorting van de Sovjet-Unie tijdelijk weer de onbetwiste, zelfbewuste leider? Het geloof in een nieuwe conflictvrije orde onder het schild van de Verenigde Naties is een vorm van bijziendheid, die juist een land als Nederland zich niet kan permitteren. Het 'kleine handelsland' (Van Hamel) wordt maar al te gauw vermorzeld tussen belangen met een veel grotere draagwijdte. De aarzelingen van de Nederlandse regering zijn dan ook te billijken, maar de onwil om over het gevoerde beleid werkelijk verantwoording af te leggen is geenszins te rechtvaardigen.