De meest spannende periode uit de historie van de muziek

'Ik verdedig de doden en die ik aanval zijn levendig en nog jong', aldus de veertiende-eeuwse schrijver Jacob van Luik. 'Maar ik moet wel, want niemand heeft tot nu toe iets geschreven tegen de verwerpelijke 'nieuwe kunst'.'

Deze ars nova en meer nog datgene wat er op volgde (de zogeheten ars subtilior) iseen van de meest intrigerende thema's van het Festival Oude Muziek. Van Luik geeft toe dat de oude stijl onbekommerd en onschuldig is in vergelijking met de nieuwe, die werd gepropageerd door Jean de Muris. Op diens boek Ars Novae Musicae is Van Luiks Speculum Musicae vooral een aanval. Men kan het tractaat ook met enige korrels zout nemen, want de auteur spreekt zelf van een satirisch en controversieel werk. Het is in ieder geval met zijn meer dan duizend bladzijden verreweg de belangrijkste informatiebron voor die tweede helft van de veertiende eeuw, waarin zo'n ingrijpende stijlwisseling plaatsvond.

Van Luik: 'Ik vroeg bij de uitvoering van een motet in de moderne stijl: wat zingt men: Hebreeuws, Grieks, Latijn of iets anders?'.

Een terechte kritiek, want door de ongekend radicale ritme-experimenten verbrokkelden de verticale samenhangen, en in geen enkele periode is er dan ook zo'n radicale contrapuntiek beoefend, of het zou de twintigste eeuw moeten zijn.

Hoe treffend Van Luiks observaties zijn geweest de 'oude' muziek staat voor simpel en stoer, die van de componisten Machaut en Dufay voor subtiel en gemaniereerd kon iedereen deze week gemakkelijk vaststellen. Om de ontwikkeling te plaatsen: 1350-1370 tekent de Machaut-stijl, 1370-1390 de gemaniereerde kunst en de periode 1390-1400 staat voor de zogeheten ars cantilena, die met name vanuit Engeland op gang werd gebracht en waarvoor vooral Dufay hoogst karakteristiek is.

Maar ook is goed te verdedigen dat de ars subtilior zich al tijdens de jaren zestig van de veertiende eeuw heeft ontwikkeld in Avignon; een compositie als Fortune faulce van Matheus de Sante Johanne, die daar toen werkte, bezit namelijk al die hoogst verbazingwekkende syncopen.

Helaas hangt er een waas van geheimzinnigheid rondom de meeste van de slecht gedocumenteerde componisten uit deze meest spannende tijd van de muziekgeschiedenis. De ballade is de typerende vorm van Machaut, zoals de virelai vooral karakteristiek is voor de 'experimentelen' en het rondeau voor Duday. Langere instrumentale preludes raken in de mode, zoals bij Baude Cordier, die trouwens ook de mooiste kalligafieen naliet. Maar een groep als Gothic Voices heeft lak aan gemengd vocaal-instrumentale opvattingen en houdt het bij een totale vocale presentatie. Het concert in de Pieterskerk zal mij lang bijblijven. Direct al het eerste werk En ce gracieux temps van Jacob de Senleches uit de periode 1378-1395 was een schot in de roos. De tenoren Rogers Covey-Crump, Andrew Tusa en Leigh Nixon zongen ongekend subtiel, elke nuance kwam tot leven, elke schakering was hoorbaar in een woord opwindend. Als dit alles was geweest was ik nog met een voldaan gevoel huiswaarts gekeerd. Maar daar was nog het wonder van Solage. Zijn vierstemmig virelai Joieux de coeur is een hoogtepunt uit het gehele middeleeuwse repertoire. Het leunt nog sterk tegen Machaut, evenals de ballade Le basile. Een enkele toon vormde hier een probleem voor de intonatie, want harmonisch gezien gaat Solage bijzonder ver.

Een ander hoogtepunt vormt het rondeau Fumeux fume, centraal geplaatst door het ensemble Project Ars Nova, dat zijn programma presenteerde onder de titel Myth, Magic en Machaut, een surrealistische excursie naar het veertiende-eeuwse Frankrijk met behulp van een 'fumeur', een verwijzing naar het letterkundig genootschap van de Fumeux (opium en hasj waren in die tijd geliefd). Fumeux fume is voor een lage bas met twee instrumentale stemmen geschreven en daalt als het ware in cirkels af in de vreemdste chromatische wendingen, maar in de Lutherse kerk werden woensdag twee mannenstemmen instrumentaal ondersteund en dat alles in een hoge ligging!Men hoort op het festival wel meer vreemde opvattingen. Het ensemble Tragicomedia bijvoorbeeld bracht koren uit een opera als duet, overigens buitengewoon fraai gezongen door counter-tenor David Cordier en bas Harry van der Kamp. Een scene uit het vroegste werk van Emilio de Cavalieri hoorde ik niet eerder zo stijlvol en tegelijkertijd doorleefd uitgevoerd. En over opera gesproken, dat was nu precies waarnaar het ensemble Project Ars Nova tendeerde: een theatralisering van kleinere vormen, kompleet met een verteller die soms dwars door de muziek heen een tekst uitlegde. Opvallend was de luchtige aanpak, alles uit het hoofd, en met een zwierige nonchalance, voor mij iets teveel uit de losse pols, maar overigens technisch heel knap in Suzoy's Pictagoras, Jabol en Orpheus. De tekst roemt deze 'vaders van de melodie', die nog steeds bekend zijn, terwijl vele anderen inmiddels geheel zijn vergeten. Hier bevindt de ars subtilior zich ongetwijfeld op een hoogtepunt: elk van de drie stemmen ontwikkelt zich totaal zelfstandig.

Origineel was ook een werk van de hedendaagse Engelse componist Robert Kyr op een tekst van Machaut: Python le merveilleux serpent. Beginnend in de subtiele veertiende-eeuwse stijl, maar allengs meer twintigste-eeuws schildert Kyr op de vertwijfeling van een onbeantwoorde liefde. Maar met de veertiende-eeuwse experimenten valt niet te concurreren. Machauts ongeevenaarde en onsterfelijk mooie vierstemminge dubbelballade Quant Theseus/Ne quier voir verwees Kyrs experiment onverbiddelijk naar de 'tijdelijkheid'. Dat perfectie en klankschoonheid toch niet altijd voldoende zijn, toonde het Orlando Consort aan, zaterdag in de Pieterskerk, waar Dufay's Nuper Rosarum flores het meest de aandacht trok. Het was een droomuitvoering. Maar een volledige zesdelige mis van dezelfde componist? Nee, daarin stoorde het ontbreken van een krachtige basis de laagste stem van het Orlando Consort is een bariton. Bij het Hilliard Ensemble, uitstekend op dreef, merkte je dat nauwelijks, omdat daarin in de mis van Leonel Power drie ingevoegde composities voor een dankbaar aanvaarde onderbreking zorgde. Die Engelse stijl 'la contenance angloise' maakte op tragische wijze een eind aan de ars subtilior: een vollere, verzadigder samenklank raakte nu in de mode, dat alles in gelijkopgaande stemmen, zonder dissonanten op de zware na-delen, met het accent op de gelukkig nog wel enigszins versierde bovenstem. Dufay en Binchois, die de milde samenklankenstijl maar al te gretig volgden, waren nog in uitstekende handen bij het New London Consort, dinsdag in de akoestisch helaas ongelukkige Augustinus-kerk. En jammer van een wat vreemde stembreuk bij de counter-tenor Christopher Robson. Niet altijd even gelukkig, tenslotte, was ook het Gabrieli Consort and Players gisteren in Muziekcentrum Vredenburg. Als ensemble klonk het allemaal correct, maar de stemmen afzonderlijk pijnlijk onzekere sopranen hielden niet over, en het continuo was soms volledig de draad kwijt. Na de pauze liep het gelukkig wat vlotter. Maar dat betrof dan ook muziek uit de barok van Giacomo Carissimi, die, met alle subtiele ritmische miniatuurtjes nog in de oren, opeens wel heel erg naief en onschuldig aandeden.

Holland Festival Oude Muziek Utrecht: Concerten door het Orlando Consort (Dufay), Tragicomedia (theatrale dialogen), New London Consort (Dufay, Binchois), Gothic Voices (Senleches, Solages), Ensemble Ars Nova (Senleches, Solages), The Hilliard Ensemble (Dunstable, Power) en het Gabrieli Consort (Carissimi). Gehoord: 25 t/m 30/8.