Bibberend op de hoge duikplank; Poezie en proza van kleine Limburgse uitgeverijen

Leo Herberghs: Avond. Uitg. Gerards en Schreurs, 28 blz. Prijs fl.15, -. Frans Bude: Reiziger. Uitg. Vereniging Literaire Activiteiten Maastricht (Postbus 403, 6200 AK Maastricht), 16 blz. (Boekenweekgeschenk)Frans Bude: Kleine hoogten. Manuel Kneepkens: Zwart Feest. Leo Vroman: Een soort van ziel in negen delen. Zwarte Reeks 2,3,4. Uitg. Herik (Herik 6, 6374 RJ Landgraaf). Ieder deeltje 16 blz. Prijs fl.15,90 per deeltje. Leo Vroman: Seven thanks in Groningen. Uitg. Ser J. L. Prop, 12 blz. Prijs fl.25, -. (giro 4479523 t.n.v. Ser J. L. Prop te Banholt). Hans Tentije: In kringen. Uitg. In de Bonnefant, 10 blz. Prijs fl.25, - (giro 2103853 t.n.v. In de Bonnefant te Banholt).

Het ligt er even aan bij wie je de Nederlandse poezie wilt laten beginnen, maar kies je zoals te doen gebruikelijk voor Henric van Veldeke, dan is Limburg en meer in het bijzonder Maastricht de plaats waar de Nederlandse poezie begint. Mogelijk ligt hierin een verklaring voor het feit dat in Limburg nog steeds veel poezie geschreven en (door veel kleine uitgeverijen) uitgegeven wordt, vaak met veel aandacht voor de vormgeving, want ook op het gebied van de boekverzorging heeft Limburg een traditie (Stols, Nypels) in ere te houden. Dat de VLAM, de Vereniging Literaire Activiteiten Maastricht, bij haar oprichting dit voorjaar een mooi bundeltje liet verschijnen, dat tevens als boekenweekgeschenk dienst kon doen, sprak dus wel voor zich. Dat het werd geschreven door een Maastrichts dichter, Frans Bude, eveneens. Dat het een lang gedicht in acht delen bevatte, zou men ook nog als een Limburgse dichterlijke traditie kunnen beschouwen: Henric van Veldeke zelf ging hem in dit epische genre voor, en ook Bertus Aafjes (Een voetreis naar Rome) en Huub Beurskens (Charme) bij voorbeeld, en nog niet zo lang geleden Leo Herberghs, die in de 84 kwatrijnen van zijn gedicht Avond terugblikte op de ochtend van zijn leven en mijmerde over de nu aangebroken avond ervan.

Epos

Bude, tot voor kort toch vooral een dichter van zuinige reeksen, geeft in Reiziger het verslag van een tocht door een stad die veel gelijkenis met Maastricht ('Maas', 'Servaas') vertoont. Zoals wel vaker bij lange gedichten neemt ook dit kleine epos (185 versregels) het karakter van een kleine queeste aan. Hier is de zoektocht gericht op een geliefde die zich van tijd tot tijd in winkelmeisjes en drogisterij-bedienden lijkt te verwerkelijken ('Brylcreem' en 'Chefarine Chefarine!'), maar even vaak zich in winkelruiten en spiegels weer lijkt te willen vervluchtigen. De mythe van Orpheus ligt bij zo'n thema op de loer. En als de geliefde een naam moet krijgen heet zij dan ook 'Eurydice', en als de dichter na deze ode aan stad, geliefde en poezie huiswaarts moet keren, doet hij dat dan ook op dezelfde wijze als Orpheus: met lege handen, een illusie armer, een herinnering rijker.

Dat Bude wel van zijn hermetische verleden af wil, zou ook kunnen blijken uit de kleine bundel Kleine hoogten, verschenen als tweede deel in de Zwarte Reeks van de kleine Limburgse uitgeverij Herik. De acht gedichten zien er nog wel ouderwets Kouwenaariaans uit: met veel wit en weinig interpunctie en steevast zonder punt aan het eind, en met banaal poeticale enjambementen als 'de sprong in het wit-//gewassen grind'. Maar toch: wie daar even niet al te veel op let, leest hier acht verstaanbare, anekdotische gedichten. Onderwerp: jeugdherinneringen van de dichter, uit de tijd waarin hij de wereld van een kleine hoogte moest bekijken. Het gaat dan om zijnservaringen op de schommel, de angst voor de meester, het wondere leven in het aquarium op de jongenskamer en het avontuur van de hoge en de lage duikplank, gevolgd door het drama van het onder water afzakkende zwembroekje.

Limbo

Het aardige van de Zwarte Reeks is dat dichters er dingen in doen die ze anders niet zo gauw zouden doen. Zij is ook om andere redenen bijzonder: de deeltjes worden door verschillende vormgevers verzorgd, het formaat wisselt, ze bevatten tekeningen of vignetten van de dichters, ze zijn allemaal gesigneerd en ondanks de kleine oplage van 225 exemplaren niet duur. Het derde deeltje is een reeks van tien gedichten onder de titel Zwart Feest, van de weinig op de voorgrond tredende Manuel Kneepkens, die naar eigen zeggen het Limbo van zijn jeugd en de jaren vijftig verruilde voor het Limbo van zijn huidige woonplaats Rotterdam. Nu kan met Limbo (behalve een verwijzing naar Limburg) veel bedoeld zijn: voorgeborchte van de hel, gevangenis, maar ook de dans van die naam; vergetelheid, opsluiting, maar ook tweestrijd. Kneepkens lijkt daar niet mee te zitten. Hij haalt in deze wispelturige, maar geestige gedichten inderdaad veel overhoop: het gaat om Heerlen en Rotterdam, verleden en heden, mijnen en Rijnmond, maar ook om Troje en Bhopal, My Lai en Bikini, Kristalnacht en glasnost. Wat men bij Bude aan interpunctie mist, vindt men hier in overvloed terug. Kneepkens is de enige Nederlandse dichter die zijn versregels nog met een dubbele punt of Duitse komma durft te beginnen, en ook voor het overige bedient hij zich van een Polet-achtige aankleding met veel haakjes, afbrekingen, beletsel-, vraag- en uitroeptekens. Dat mag de pret, de wrange pret op dit zwarte feest niet drukken. Als de wereld ten onder gaat (en Kneepkens' gedichten bevatten genoeg toespelingen om daarin te geloven), dan moet het maar op de wijze van de Titanic, die hier ook figureert: het schip zonk, maar het orkest speelde door.

Het is een gedachte die niet eens zo ver afstaat van wat Leo Vroman zich in het vierde deeltje van de reeks, Een soort van ziel in negen delen, voorstelt: dat onze hersenen, terwijl wij sterven, in verschillende delen uit elkaar vallen. Deze delen zouden mogelijk iets van elkaar kunnen weten en elkaar misschien wel kunnen missen: 'Ik stel mij daarom van te voren/ bij voorbeeld voor/ dat kogels mijn hersens doorboren/ en het hoofd behoorlijk uiteenspat/ en wat klieders nu zonder lijk/ dus ook zonder blijk van verlegenheid/ doodnuchter door blijven werken', schrijft hij in de proloog van zijn gedicht. Het vervolg laat dan negen van die zelfdenkende klieders aan het woord: fragmenten waarin een jeugdherinnering, Tineke, computerprogramma's, gedachten over de waarheid, het lichaam, biologie en poezie voor even een verbinding aangaan: ... dus die fribinogeen wordt precieszo geadsorbeerd als ik dacht: de zwarte irissen bloeien vannachtin het rode licht van de kolibri's

Leo Vroman was degene die vorig jaar namens de zeven eredoctores van de Rijksuniversiteit Groningen een dankwoord moest uitspreken, 'because I am the only one among us who can pronounce the words 'Rijks Universiteit Grunnngn'.'

In zijn korte toespraak benadrukte dr. Vroman dat de zeven geleerden, bij alle onderlinge verschillen, een ding gemeen hebben: zij doen ieder op hun eigen manier onderzoek naar die gevaarlijke ziekte haat, waarvoor voorlopig nog maar een geneesmiddel gevonden is: When in the brains that Nature gave usinsight and understanding fail Love is the light that must prevailand that might save us.

De tekst werd onder de titel Seven thanks in Groningen uitgegeven door de Limburgse meesterdrukker Ser J. L. Prop, gevestigd in Banholt. Niet ver (twee postcodeletters) daarvandaan zetelt In de Bonnefant, de uitgeverij van Hans van Eijk die na een lange periode van stilte weer een titel liet verschijnen. In kringen is een 'korte prozatekst', en dat wil in dit geval zeggen: een mooi kort verhaal, van Hans Tentije, een dichter die zich de laatste tijd steeds meer op het proza is gaan toeleggen. Onderwerp van dit verhaal is een Schuco Patent Motodrill 1006, een blikken motorrijder die alleen in kringen rond lijkt te kunnen rijden over het koude zeil van de zolder, maar de jeugdige bezitter van dit speelgoed weet wel beter: 'Uit verafgelegen streken was hij, van vorst naar dooi, hier naar toe gekomen en nu kon hij het niet vinden, bleef hij besluiteloos in de rondte rijden. Zijn gehandschoende rechterhand liet alle cc's af en toe voluit brullen, maar hij hield zijn machine in toom.'