VN: bossen in Europa nog slechter

GENEVE, 30 aug. De schade door luchtverontreiniging aan de bossen in Europa is in 1989 verder toegenomen. De toestand van veel oude eiken, sparren en dennen is precair. Dat blijkt uit het vierde jaarlijkse overzicht van de toestand van de Europese bossen dat is opgesteld door de Economische Commissie voor Europa (ECE). Het rapport verscheen gisteren.

De ECE is een commissie van de de Verenigde Naties die 34 landen verenigt, daaronder alle Europese staten plus Canada en de VS. Het is de enige Oost-West-organisatie die de Koude Oorlog heeft overleefd.

Voor het bosonderzoek is in 26 landen onderzoek verricht. Voor het eerst waren daar ook staten uit het westen van de Sovjet-Unie bij. Juist daar wezen de steekproeven op zware schade. Van de naaldbossen van Wit-Rusland is 76 procent meer of minder aangetast en van de bladverliezende loofbossen is 33 procent beschadigd. Voor Kaliningrad, ingeklemd tussen Polen, Litouwen en de Oostzee, zijn die cijfers 43 en 32 procent.

Ook in Tsjechoslowakije, Polen en Bulgarije verkeert het bos in slechte conditie, Tsjechoslowakije heeft het hoogste aandeel matig tot zwaar aangetaste loofbossen van Oost-Europa. In West-Europa wordt de zwaarste schade aangetroffen in Groot-Brittannie.

Vooral bomen ouder dan zestig jaar tonen zich gevoelig voor luchtverontreiniging. Van de oude sparren, dennen en eiken heeft in de meeste landen nu 15 procent in meerder of mindere mate blad verloren. In de meeste landen hebben de beuken zich hersteld van schade die insecten eerder toebrachten.

Hoopgevend is dat de snelheid van het bladverliezen in West-Duitsland, Nederland, Noorwegen en Griekenland in 1989 afnam. Veel relatief gezond bos kan nog worden aangetroffen in Italie, Portugal, Spanje en Frankrijk. In de Sovjet-Unie heeft de Oekraine nog zeer gezonde bomen. (AP, Reuters)