POETISCH EN QUASI-REALISTISCH SPROOKJE VAN THEO ANGELOPOULOS ..De films van Theo Angelopoulos kregen door dejaren heen een steeds sterker sprookjesaccent, maar nog niet eerder maakte hij er een die zo evident begint met een visueel 'er was eens'. Er ...

Wie zo zijn film introduceert, hoeft zich niet meer te bekommeren om vragen naar de controleerbare werkelijkheid. Eten doen zulke kinderen alleen wanneer hun honger de geschiedenis uitkomt, net als moe worden of hun moeder missen. Als alle sprookjes draait elke vezel van dit verhaal om een hoger doel, een visioen dat berust op waan en dat onmogelijk te bereiken lijkt, maar waarvoor ieder noodzakelijk offer met grote vanzelfsprekendheid wordt gebracht. De zelfopgelegde missie van de kinderen, een meisje van een jaar of dertien en een jongen van een jaar of zeven, is het vinden van hun vader. Ze kennen hem niet. Hun moeder heeft gezegd dat hij 'in Duitsland' woont en uit alles blijkt dat hij een idee fixe is, en 'Duitsland' een verkeerd uitgelegd begrip. In een van de 'brieven' die we de kinderen om de beurt in monologue interieur horen 'schrijven' wordt die vader verzekerd dat ze hem niet tot last willen zijn. Alleen maar even ontmoeten, dat is genoeg, dan gaan ze weer terug.

De kinderen zitten in het gangpad van treinen, in vrachtwagencabines of achterop een motor. Vaak ook lopen ze, meest over autowegen, stuurloos achter de streep aan die het asfalt afboordt. Het is winter en Noord-Griekenland is koud en lelijk, gebaad in ijzig blauw licht. Hun bleke gezichtjes tussen das en wollen muts drukken slechts uit hoe vastbesloten ze zijn.

Er ontrolt zich een reisverhaal in quasi-realistische stijl, zoals Angelopoulos ze al twintig jaar vertelt. Of nee, 'reis' is niet het goede woord. Een reis gaat ergens naartoe. De personages van Angelopoulos maken een tocht, niet van hier naar daar, maar ongeorganiseerd, van nergens naar nergens. 'Jullie gaan nergens naartoe, maar toch zijn jullie onderweg', formuleert een jonge man het. Hij kruist het pad van de kinderen als hij nodig is. Hij rijdt op een motorfiets en hij is hun beschermengel. Een soort wijze jonge hond en tevens chauffeur en begeleider van de bejaarde toneelgroep die een winderige hoek omkomt.

Wie bekend is met eerder werk van Angelopoulos herkent ze met een schok: dit zijn de in grauwe overjassen gehulde acteurs die aan het slot van zijn film De komedianten (1975) de film uit wandelden, valiezen en instrumentkoffers in de hand, ook al onderweg naar nergens. Hun nergens kruist dat van deze twee kinderen. Angelopoulos bereidt zijn publiek meer van zulke ontmoetingen. Zo is de huilende bruid die voor de ogen van de kinderen een besneeuwde buitenwijkstraat opvlucht, afkomstig uit Angelopoulos' film De bijenhouder (1986). Landschap in de mist ontpopt zich als een direct complement van die film, die vertelde over een vader die rusteloos rondtoert op zoek naar zijn voor hem voor altijd verloren dochter. Die dochter wordt hier gevonden, maar door kinderen die juist hun vader zoeken. Wat de een zoekt, vindt de ander en samen leidt het tot niets. Het is niet nodig om het oeuvre van Angelopoulos paraat te hebben. Wordt het binnendringen van die eerdere films niet als zodanig herkend, dan hindert dat niet. Ze zitten vastgeregen aan, en vormen de hoogtepunten van, het snoer van poetische incidenten dat Landschap in de mist zijn inhoud geeft. Niet alle elementen zijn even sterk, soms zijn de incidenten ondraaglijk zwaar. Nu en dan speelt Angelopoulos' kenmerkende neiging tot het vertragen van de handeling hem parten: geladen kalmte maakt sterk, onnodig rekken maakt saai. Rampzaliger is het wanneer Angelopoulos zijn neiging tot esthetiseren niet in de hand houdt. Zo is een lang shot van de klauwende bebloede hand van het meisje al te mooi en al te etherisch in verhouding tot het brute geweld dat ze enkele ogenblikken eerder heeft moeten ondergaan.

Sprookjes hebben een happy end: en ze leefden nog lang en gelukkig, luidt de verplichte slotformule. Angelopoulos ziet zich gedwongen te besluiten met geluk van buitenaardse orde, want hij heeft zich met zijn sprookje een droeve opdracht gesteld. De vader die de kinderen zoeken is geen goede vader maar een boos fantoom. Hun tocht naar hem toe laat ze niet ongeschonden en berooft ze van het grootste goed, hun jeugdige onschuld. Hun gemotoriseerde beschermengel weet wat er dreigt en probeert zijn eigen en hun kinderlijke identiteit nog zo lang mogelijk vast te houden. Voor hij verdwijnt legt hij het tweetal uit dat je in het niets van de mist kunt zien wat je maar wilt, juist omdat je niets ziet. Dat Angelopoulos in die scene als voorbeeld een leeg, 'mistig' strookje filmmateriaal laat gebruiken, mogen we opvatten als zijn persoonlijk credo: in de mist van het lege materiaal kan alles worden onderscheiden wat de filmmaker zich droomt, in kinderlijke onbevangenheid.