Ontsnappen aan het klavecimbelklavier

In 1613 werd Francis Tregian de geleerde oudste telg van een invloedrijke Engelse familie door Jacobus I levenslang opgesloten, naar het heette wegens staatsgevaarlijke activiteiten. Aan Tregians gevangenschap danken wij nu de belangrijkste bron voor onze kennis over de Engelse virginaalmuziek; in zijn cel kopieerde hij bijna driehonderd composities uit de periode 1560-1650 in het zogeheten Fitzwilliam Virginal Book, genoemd naar de kunstverzamelaar Lord Richard Fitzwilliam (1745-1816), ook wel verwarrend het Queen Elizabeth's Virginal Book geheten. Geen enkel land kan de vergelijking met Engeland doorstaan: in totaal zijn meer dan zeshonderd toetsencomposities overgeleverd en daarvan is alleen al een kwart van William Byrd. Byrd was samen met Sweelinck de centrale figuur op een concert door Ton Koopman, afgelopen zaterdag in de Utrechtse Geertekerk. Samen met dertien andere recitals, een symposium en de 'klavichorddagen', illustreerde Koopmans concert een van de thema's van het Festival Oude Muziek: 'Twee eeuwen klavecimbelmuziek'. Koopman zorgde voor een verlevendiging, door twee Ruckers-instrumenten afwisselend te bespelen. Een in de middentoonstemming wringende fantasie van Orlando Gibbons was zeker opmerkelijk, maar het hoogtepunt werd gevormd door Byrds variaties op As I went to Wallsingham, die hij met grote inzet, op het agressieve af, vertolkte.

Dat laatste aspect miste ik bij Christophe Rousset, die zich maandag wijdde aan de Franse klavecinisten, met werken van Gaspard le Roux, Francois Couperin en Joseph Royer, uit respectievelijk 1703, 1713 en 1746. Le Roux is een van de laatste representanten van de grand gout van de zeventiende eeuw (de datering van de gedrukte uitgave 1705 is misleidend omdat Le Roux zijn klavecimbelstukken veel eerder componeerde). Helaas, die lyrische component bleef onderbelicht, gevangen in een te gehaast tempo. Geleidelijk aan echter kwam Rousset tot scherpere karakteriseringen en virtuositeit en kleurgevoel sprak uit het bizarre Le Vertigo van Royer en zeker in de toegiften werd het duidelijk waarom hem een eerste prijs werd toebedeeld op het internationaal klavecimbelconcours te Brugge. Couperins Le Dodo, een herschepping van een kinderliedje, klonk naief ontroerend op de enig juiste manier.

Dinsdag presenteerde zich Rafael Puyana the grand old man, die nog bij Wanda Landowska studeerde met een aura a la Segovia. Een zekere grandeur was hem in de Spaanse groep niet te ontzeggen. Maar de vingers zijn strammer geworden, de misslagen navenant. En wat toch echt niet meer kan is zo'n rechttoe rechtaan Bach-vertolking. De Partita IV in D BWV 828 klonk alsof er een pianist achter de klavecimbel had plaatsgenomen: alles glad gebonden, zonder enige articulatie. Precies hierin schuilt het verschil met de huidige generaties, die de muziek tot leven brengen in kleine sprekende frasen, ontsnapt aan de tralies van de eendimensionale motoriek. Puyana zoekt echter zijn heil in veel manuaalwisselingen, zoals de vroegere instrumentale groepen ook meestal de pre-Barok-muziek inkleurden door overdadige instrumentatie-effecten.

Tenslotte was er woensdag in Vredenburg een bevlogen Gustav Leonhardt, al had hij tijd nodig om de zaal te veroveren. Frescobaldi miste aanvankelijk verbeelding, maar in de Lamento's van Froberger was er die onnavolgbare spanningsopbouw tot aan de laatste noot toe, in een in-droevig en donker-duistere rouwmuziek, bezaaid met de fraaiste dissonanten als tinkelende sterren in een gitzwarte hemel.