MEUBELS VAN J. J. P. OUD IN MUSEUM BOYMANS-VAN BEUNINGEN; Weerstand tegen het wippend zitten

Het museum Boymans-Van Beuningen herdenkt het honderdste geboortejaar van Nieuwe Bouwen-architect J. J. P. Oud met een kleine tentoonstelling van zijn meubels en interieurontwerpen. Helaas komen noch de expositie, noch een tegelijkertijd verschenen boek van Elisabeth Reinhartz-Tergau, 's mans nagedachtenis ten goede.

De expositie beslaat slechts een zaaltje en doet daardoor tamelijk willekeurig aan. Merkwaardiger nog is de keuze om Oud juist aan de hand van dit deel van zijn oeuvre te herdenken: het ontwerpen van meubels was voor hem zonder meer ondergeschikt aan de architectuur. Uit documenten die Reinhartz-Tergau in haar boek citeert valt op te maken, dat hij er soms toe werd gedwongen door het uitblijven van bouwopdrachten en dus geldgebrek. In 1935 beklaagde hij zich in een brief aan Mies van der Rohe: 'Ich habe nur Klein-Arbeit. Ohne das Denken in Massen macht das Wirken eines Architekten aber nur wenig Freude.'

En aan de Amerikaanse Catherina Bauer, auteur van het boek Modern Housing, schreef hij: 'When you are dreaming always of building the largest things it is not always nice to do generally the smallest things possible!' Toch was Oud natuurlijk trots toen zijn vriend Philip Johnson, conservator van het Museum of Modern Art in New York, een stoel die Oud voor Metz had ontworpen wilde aankopen voor de vaste collectie. (Of dat gelukt is, vermeldt Reinhartz niet, alleen dat Metz geen gratis exemplaar wilde afstaan). Al kende Oud meubels niet de hoogste prioriteit toe, toch heeft hij door de jaren heen aan een groot aantal projecten meegewerkt op het gebied van de toegepaste kunst. Behalve voor Metz ontwierp hij ook meubels voor de firma Mutters en voor een aantal particulieren, onder wie zijn chef bij de Rotterdamse Woningdienst, ir. M.de Jonge van Ellemeet, en directeur D. Hannema van Museum Boymans. In 1927 was hij een van de deelnemers aan de proefwijk van het Nieuwe Bouwen in Stuttgart, de Weissenhofsiedlung. Het is te hopen dat de stoelen die hij daar in zijn woningen plaatste, als concept waren bedoeld en niet als gebruiksvoorwerp: niet alleen is de zitting volkomen vlak en hard, ze hebben ook helemaal geen rugleuning.

Uiteraard richtte Oud een aantal van zijn eigen gebouwen in, bijvoorbeeld het omstreden gebouw voor Shell in Den Haag, het Bio-Vakantieoord in Arnhem en de Spaarbank van de stad Rotterdam. Hij was een van de zeventig ontwerpers die tussen 1936 en 1938 een bijdrage leverden aan de inrichting van het schip Nieuw Amsterdam. Een van zijn mooiste gebruiksvoorwerpen is het pianolampje uit 1927, een 'ruimtelijk stereometrische plastiek' zoals Max van Rooy het liefkozend in zijn voorwoord bij het boek noemt. 'Het lampje van Oud was ongeveer het meest zuiver en streng modern vormgegeven voorwerp dat in ons ouderlijk huis was te vinden'. Geen wonder dat Dada-kunstenaar Kurt Schwitters ooit een van zijn 'Merz-bilder' ruilde voor zo'n lampje.

Ook in die ene zaal van Boymans is het pianolampje verreweg het meest zuiver en streng vormgegeven voorwerp. Uit de overige meubels valt er maar een conclusie te trekken: Oud voelde zich veel meer op zijn gemak met het 'ouderwetse' materiaal hout dan met de nieuwlichterij van stalen buis. Het is in dit verband veelzeggend, dat hij de meubels voor zijn eigen werkkamers van hout maakte. Voor het onderstel bedacht hij diverse wonderlijke constructies waarop hij vervolgens veel te dikke kussens plaatste. Over de veerkracht van stalen buis schreef hij: 'Het nadeel is het wippende zitten, dat weleens, maar niet altijd aangenaam is. Men zit ook niet bij voortduring in een schommelstoel!' Hij voelde de kritiek waarschijnlijk aankomen en lichtte zijn Metz-collectie van 1933 voor de pers toe. 'De mensch van deze tijd zit niet minder graag 'lekker' dan die van vroeger. Ik heb dus allereerst aandacht besteed aan het werkelijk behaaglijk zitten. Ik voel de noodzakelijkheid van 'stoffelijkheid'... .Datgene, waarop men zit moet van een mollige volumineusheid zijn. Molligheid en stabiliteit voor het 'zitten', opheffing van de massaliteit voor het oog door het staal.' Kortom, hij kwam er niet uit, want hij wilde iets onmogelijks. Zijn experimenten met het strakke, kille staal zijn zichtbaar contre coeur. Een dergelijk ontwerpparadox zou voor de meeste kunsthistorici gefundenes Fressen zijn, maar Reinhartz-Tergau cirkelt voorzichtig om de hete brij heen. Het boek (dat overigens vol zit met storende tikfouten en met een hyperonrustige typografie is vormgegeven) is vooral een inventarisatie die zich niet waagt aan een beschouwing van de betekenis van dit werk voor Ouds 'echte' oeuvre. Zoals uit de expositie blijkt zijn niet zozeer de meubels zelf boeiend als de strijd die ze uitbeelden tussen de kunstenaar enerzijds en materialen, mode en tijdgeest anderzijds. Meubelen van J. J. P. Oud. T/m 16 sept. in het Museum Boymans-van Beuningen, Mathenesserlaan 18-20, Rotterdam. Di. t/m za.10-17u., zo. 11-17u. Vanaf 22 sept. t/m 4 nov. in Kasteel 't Nijenhuis bij Heino. Boek 'J. J. P. Oud: Meubelontwerpen en Interieurs' door E. Reinhartz, tweetalig Ned. en Duits, uitg. De Hef, 208 blz., fl.39,90, na 1 nov. fl.45.