Indonesie wil geen vijanden in de Golf

JAKARTA, 30 aug. Binnen een week mocht de Indonesische regering de dankbetuigingen in ontvangst nemen van een gezant van de emir van Koeweit, van de Saoedische ambassadeur, van de PLO-vertegenwoordiger in Jakarta en van een woordvoerder van het Iraakse parlement. Afgaand op deze diplomatieke gebaren, heeft president Soeharto door zijn opstelling in het Golfconflict in ieder geval geen vijanden gemaakt in die regio.

Dat was ook niet de bedoeling. Indonesie herbergt de grootste moslimgemeenschap ter wereld en die voelt zich nauw verbonden met de geloofsgenoten in het Midden-Oosten. Verdeeldheid onder de Arabische landen noopt Jakarta doorgaans tot terughoudendheid. Maar ook het lidmaatschap van de Verenigde Naties schept verplichtingen. Dus koos Indonesie na enige aarzeling voor deelneming aan de VN-boycot, maar tegen het sturen van troepen. Mochten Irak en Koeweit daar prijs op stellen dan is Soeharto bereid te bemiddelen.

Indonesie's meervoudige loyaliteit openbaarde zich al meteen na de Iraakse invasie van Koeweit op 2 augustus. Minister van buitenlandse zaken Alatas toonde zich geschokt en zei dat Irak en Koeweit 'als leden van de Beweging van Niet-gebonden Landen, van de Islamitische Wereldconferentie en de OPEC' hun geschillen dienen te beslechten door middel van dialoog. 'Indonesie onderhoudt goede betrekkingen met zowel Irak als Koeweit', aldus de minister.

Op 8 augustus zei minister van energie Kartasasmita dat de Indonesische regering nog geen standpunt had ingenomen inzake de VN-boycot van Irak. Natuurlijk had Indonesie als lid van de VN de beslissingen van de wereldorganisatie te respecteren, aldus Ginandjar, maar 'we hebben ook rekening te houden met OPEC-lid Irak'.

Op 10 augustus kondigde hij aan dat Indonesie zich aansloot bij de internationale boycot en zijn olie-importen uit Irak dertigduizend vaten per dag zou staken. De verplichtingen tegenover de internationale statengemeenschap wogen uiteindelijk zwaarder dan de begrijpelijke weerzin om partij te kiezen in een inter-Arabisch conflict.

Een week later werd Jakarta opnieuw voor een lastige keuze geplaatst. Op 19 augustus kreeg president Soeharto bezoek van een speciale gezant uit Saoedi-Arabie. Namens koning Fahd verzocht de Saoedische onderminister van buitenlandse zaken sjeik Abdul Aziz Thannayan om Indonesische militaire bijstand ter verdediging van de steden Mekka en Medina. De aanwezigheid van troepen uit Indonesie en andere islamitische landen zou er voor zorgen dat Amerikaanse en andere niet-islamitische strijdkrachten wegbleven van de heilige plaatsen. Soeharto wees dit verzoek af.

Namens de president verklaarde minister Alatas dat 'Indonesie begrijpt en aanvaardt dat een land, dat zijn veiligheid bedreigd acht, zich wenst te verdedigen en de hulp inroept van zijn vrienden'.

Soeharto had de gezant uit Riad echter duidelijk gemaakt dat Indonesie op grond van zijn constitutie alleen troepen ter beschikking kan stellen van een VN-vredesmacht. De Saoedische onderminister toonde hiervoor begrip. Na zijn onderhoud met Soeharto zei sjeik Abdul Aziz er niet aan te twijfelen dat 'Indonesie altijd de kant van de Arabieren zal kiezen'.

Jakarta's weigering om de buitenlandse troepenmacht in Saoedi-Arabie te versterken, ontmoette niet alleen begrip in Riad, het leverde Indonesie ook een compliment op uit Bagdad. Een woordvoerder van het Iraakse parlement begroette 'het Indonesische besluit om niet in te gaan op het verzoek van koning Fahd en niet te buigen voor Amerikaanse druk'.

Als beloning voor deze 'standvastigheid' kregen alle Indonesische staatsburgers in Irak toestemming het land te verlaten en af te reizen 'naar de bestemming van hun keuze'. Toen Saddam Hussein vorige week alle buitenlandse diplomaten in Koeweit gelastte dat land te verlaten, begon Indonesie vrijwel meteen met de evacuatie van zijn ambassadepersoneel. Minister Alatas haastte zich echter te verklaren dat dit een veiligheidsmaatregel was, die niet mocht worden uitgelegd als zwichten voor het Iraakse ultimatum. Een aantal stafleden zou zijn achtergebleven in Koeweit en de ambassade was niet gesloten.

Intussen klinken er kritische geluiden op uit islamitische kring. Vorige week donderdag belegden zo'n duizend studenten een demonstratieve bijeenkomst in Jakarta's Al-Azhar moskee. Zij verklaarden zich bereid dienst te nemen in een islamitisch vrijwilligersleger ter verdediging van de Saoedische heilige plaatsen tegen 'zionistische, niet-islamitische en Iraakse strijdkrachten' en vroegen Riad om zo'n leger te formeren.

De Verenigde Staten werden gemaand om hun 'machtsvertoon' te staken en hun troepen terug te trekken uit Saoedi-Arabie en andere Arabische staten. Na de bijeenkomst trokken 150 studenten naar het parlement met het verzoek de regering te dwingen troepen te sturen naar Saoedi-Arabie.

Indonesie's grootste moslimorganisatie, de Muhammadiyah, gaf op 23 augustus een verklaring uit, waarin de VS worden opgeroepen in de Golfcrisis geen 'willekeurige acties' te ondernemen. Oorlog in de Golf zou eenzijdig in het voordeel zijn van Israel en alleen schade berokkenen aan de islamitische en Arabische landen. Als Washington zich echt zorgen maakte over de soevereiniteit van bezette landen, zou het ook moeten opkomen voor de Palestijnen in door Israel bezet gebied, aldus de verklaring.

Hasan Basri, de voorzitter van de Indonesische Raad van Ulema's (islamitische schriftgeleerden) zei onlangs dat het Golfconflict niets vandoen had met religie, maar alles met de strijd om macht en invloed in de Arabische wereld. Hij verklaarde zich tegen de Iraakse bezetting van Koeweit, maar sprak zich ook uit tegen de Amerikaanse betrokkenheid.

Tot voor kort was niet duidelijk op hoeveel steun de regering, de officiele islamitische woordvoerders en de demonstrerende studenten konden rekenen binnen Indonesie's omvangrijke moslimgemeenschap. Deze week publiceerde het weekblad Tempo een enquete onder 900 leden van diverse islamitische onderwijsinstellingen, verspreid over het land. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen religieuze leiders en 'gewone' gelovigen. Van de Ulema bleek 79 procent het 'oneens' met de Iraakse bezetting van Koeweit en sprak 16 procent een 'veroordeling' uit. Onder de gelovigen was deze verhouding 57 tegen 20. Slechts drie procent van de gelovigen steunde Saddam Hussein.

Zesentachtig procent van de Ulema en zeventig procent van de gelovigen (in meerderheid scholieren en studenten) zei niet bereid te zijn om vrijwillig dienst te nemen in een islamitisch leger. Op de vraag wie het meeste baat had bij de Golfcrisis waren leiders en volgelingen het eens: de helft noemde de Verenigde Staten en een kwart Israel.