Gevecht met bedluis en bourgeoisie

Een van de merkwaardigste Europese kunstzinnige films van dit moment is de op verschillende festivals (Venetie, Rotterdam) terecht de hemel in geprezen Portugese produktie Herinneringen aan het gele huis (Recordacoes da casa amarela) van en met de al even bizarre voormalige filmcriticus Joao Cesar Monteiro (1939). De humor van de met zachte stem lispelende, uitgemergelde gnoom Monteiro provoceert, treitert en roept bij sommigen fysieke tegenreacties op, maar behoudt steeds een ongerijmde waardigheid. Aan het begin van zijn film beweegt de camera langzaam langs het havenfront van Lissabon, terwijl de tergende stem van de regisseur gedetailleerd zijn gevecht met de bedluizen beschrijft. In een haveloos pension met vaalgele buitenmuren tracht de aan vitamine- en geldgebrek lijdende hoofdpersoon zijn burgerlijk-katholieke hospita te overtuigen dat het ongedierte zijn leven vergalt. Maar in haar huis kunnen eenvoudigweg geen luizen voorkomen.

De kruisweg van de zich Joao de Deus noemende huurder voert hem verder naar een huisarts, die een balzakontsteking constateert. Op de rand van zijn bed gezeten schudt de aan lager wal verkerende intellectueel een plastic zak van de apotheek leeg. Tabletten en drankjes worden uit hun wegwerpverpakking gepulkt en geconsumeerd. Ten slotte pakt hij een suspensoir uit, die hij zorgvuldig bestudeert en uitrekt. De absurde humor van het onsmakelijke ritueel is onnavolgbaar en maakt dat de kijker ofwel walgt van de hoofdpersoon, en snel de zaal verlaten kan, ofwel hem in het hart sluit als een de banale realiteit tartende anti-held. Zijn voorbeelden heten Celine (geciteerd op de geluidsband) en Erich von Stroheim (op een affiche boven het bed), de als Pruisische edelman en cavalerieofficier poserende zoon van een joodse hoedenmaker, die Hollywood in de jaren twintig enkele perverse meesterwerken schonk.

De referentie aan het oeuvre van Von Stroheim is van belang om Monteiro's spelletjes te begrijpen. Veel later in de film, nadat hij de aanbeden dochter van zijn hospita, een klarinet spelende politieagente, aangerand heeft en de enige vrouw die aardig tegen hem was, een aardse prostituee, postuum van haar spaargeld heeft beroofd, verkleedt de vieze man zich ook als legerofficier. Hij maant passanten voor hem uit de weg te gaan, loopt een kazerne binnen, laat zich arresteren en neemt een dommige politieman tijdens het verhoor fijntjes in de maling. Monteiro's personage is een Ubermensch, die poseert als valse autoriteit en zich amuseert met de nederigheid van de ezels die zich daardoor laten imponeren. Hij wekt weerzin en vertedering, zoals Von Stroheim de bijnaam 'The Man You Love to Hate' verwierf. Het is onvermijdelijk dat zo iemand in het gekkenhuis (in Portugal aangeduid als 'het gele huis') eindigt. Het loopt slecht met hem af, maar in de expressionistische slotscene rijst hij als een lichtgevende Nosferatu op uit het riool.

Herinneringen aan het gele huis is de vierde speelfilm van Monteiro (de bekendste tot nu toe heette Silvestre), maar de eerste waarmee hij zijn visitekaartje afgeeft als interessant, niet te imiteren filmauteur. De stijl is helderder dan die van andere Portugese regisseurs (De Oliveira, Botelho), maar de overeenkomst tussen Monteiro's met de ondertitel 'Een Lusitaanse komedie' gesierde film en andere recente Portugese films is een koddige, zichzelf relativerende statigheid en een onverwachte rolverdeling tussen hoofd- en bijzaken. De dood van de prostituee wordt terloops gemeld, in een uitlating van de hospita, terwijl beschouwingen over gezond eten of het verloop van een medisch onderzoek tot in de kleinste details langzaam uitgesponnen worden.

Zoals het een kunstwerk betaamt, zet de film gangbare opvattingen, voor de hand liggende logica en de ordening van de wereld een beetje op z'n kop. Het is onvermijdelijk dat er schande van geroepen wordt en de maker voor gek verklaard. Monteiro zou niets anders willen, hij koketteert met zijn onooglijkheid en egoisme als een volleerde charlatan. Zijn Portugese panopticum smaakt naar meer en is, voor een publiek dat zich niet te snel op de kast laat jagen, in ieder geval de meest begrijpelijke introductie tot de discrete charme van de Portugese cinema.