Een loflied op federalisme

De voortgaande ontbinding van het Sovjet-rijk leidt tot het formuleren van twee geheel verschillende interpretaties. De ene neemt als uitgangspunt de opvatting dat de Sovjet-Unie imperialistische en kolonialistische trekken had aangenomen, zodat de huidige ineenstorting gezien moet worden als een dekolonisatieproces. De andere interpretatie stelt de communistische ideologie centraal om vervolgens te constateren dat deze, ondanks een langdurig ingenomen monopoliepositie, niet bij machte is gebleken de volkeren van de Sovjet-Unie tot een solide eenheid samen te smeden.

Volgens de eerste opvatting fungeert de Sovjet-Unie als hekkesluiter in een stoet van dekolonisatieprocessen. De anti-koloniale, nationalistische opstanden die in 1945 in Frans Indo-China en Nederlands-Indie begonnen en die werden afgesloten toen in 1975 het Portugese imperium uiteenviel, vinden in de huidige Oosteuropese gebeurtenissen een verlate afsluiting. Zoals de Nederlanders, Belgen, Britten, Fransen en Portugezen hun greep op gebieden overzee verloren en op het moederland werden teruggeworpen, zo verliezen de Russen thans hun invloed in de niet-Russische gebieden van het Sovjet-rijk.

Deze interpretatie heeft een grote mate van overtuigingskracht, zij het dat het dramatisch effect van de Oosteuropese gebeurtenissen zo mogelijk nog indrukwekkender is dan dat van de voorgaande dekolonisatiegolven. Dit is niet alleen toe te schrijven aan de positie van de Sovjet-Unie als een van de twee supermachten uit de tweede helft van deze eeuw, maar tevens aan het feit dat het niet overzeese kolonien zijn die verloren gaan, maar delen van een aaneengesloten politiek geheel.

Het debacle is extra pijnlijk omdat niet slechts de russificatiepolitiek heeft gefaald, maar ook de communistische staatsgodsdienst geen voldoende bindmiddel is gebleken. Het imperium dat de tsaren, met kunst en vliegwerk weliswaar, bijeen wisten te houden, valt onder de Sovjets in stukken en brokken uiteen.

Dat feit brengt ons tot de tweede interpretatie: de nederlaag van de communistische heilsleer, die zo uitdrukkelijk pretendeerde boven etnische en nationale verschillen te kunnen uitstijgen door alle volkeren een superieure politieke ideologie als gemeenschappelijk tehuis aan te bieden.

Dat het communisme hierin te kort schoot, was al eerder gebleken. De breuk tussen de Sovjet-Unie en Communistisch China, al meer dan een kwart eeuw geleden, leverde het meest overtuigende bewijs; de oorlog tussen communistisch Vietnam en communistisch Cambodja liet ten overvloede zien dat tussen communistische staten zelfs een langdurig bloedig conflict niet is uitgesloten. Ondanks alle internationalistische retoriek was het wereldcommunisme reeds lang een verzameling van nationaal-communismen geworden.

Ook bij deze interpretatie van de tegenwoordige Sovjet-werkelijkheid fungeert het land als hekkesluiter. Al eerder, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was de Socialistische Internationale een fictie gebleken. Niet klassebelangen, gesteund door een machtige, goed georganiseerde arbeidersbeweging, gaven de doorslag toen de oorlog uitbrak, maar patriottisch sentiment, om niet te zeggen nationalistische hysterie. Er is in de geschiedenis van het Europese socialisme geen dramatischer moment aan te wijzen dan die eerste augustusdagen van 1914, toen honderdduizenden overtuigde socialisten elkaar zonder aarzelen te lijf gingen met een fanatisme dat meer dan vier jaar lang, ondanks miljoenen doden, niet aan het wankelen werd gebracht.

We kunnen nog verder teruggaan in de geschiedenis. Het liberalisme van de verlichte burgerij dat in het midden van de vorige eeuw overal in opmars was, overtuigd van de pacificerende kracht van civilisatie, onderwijs en wereldhandel, zag met verbijstering hoe in de hoogst ontwikkelde landen, Duitsland voorop, een enghartig patriottisme begon op te komen: 'a poor, low, selfish, unchristian idea, at variance with the very principle of an advanced civilisation', zoals een van hen in 1864 schreef. (Zie nader het fraaie essay van Michael Howard, War and the liberal conscience, 1978.)An unchristian idea. Ja, maar ook het christendom slaagde er nooit in etnische en nationale conflicten over een langere periode te beteugelen. Evenmin lukte dat in naam van de burgerlijke beschaving, het economisch belang, de klassesolidariteit van de arbeidersbeweging en de politieke macht van het internationale communisme. De oude Adam lijkt onverbeterbaar.

Er is maar weinig voor nodig om zelfs onderliggende groepen tot onderlinge strijd te brengen. De liberalisering in de Sovjet-Unie schiep niet een eensgezind front tegen de Russische dominatie in de zuidelijke grensgebieden, maar bracht Azerbajdzjani en Armeniers ertoe een oeroude rekening alsnog met geweld te vereffenen. Zelfs de aankondiging van liberalisering in Zuid-Afrika was al genoeg voor Zulu's en Xhosa's om elkaar met hakmessen, strijdbijlen en brandende autobanden te lijf te gaan, vergetend dat zij, als zwarten, gelijkelijk het slachtoffer zijn van het apartheidssysteem.

Wie in deze gruwelen niet wil berusten, dient realistisch te zijn. Indien ethische normen, politieke ideologieen en economische belangen onvoldoende bindend vermogen bezitten, moet naar andere formules worden omgezien. Indien etnische, culturele en nationale verschillen zich niet laten wegdefinieren, zullen ze geherdefinieerd moeten worden. Ze zullen tegelijk erkend en gerelativeerd moeten worden.

In concreto betekent dit een keuze voor enige vorm van federalisme, dat wil zeggen, een mate van decentralisatie die groot genoeg is om het bestaande pluralisme recht te doen, maar die tegelijk de neiging tot afscheiding uit het nationale verband een halt toeroept.

Het laatste is even belangrijk als het eerste. Het kan niet de bedoeling zijn iedere groep die zich van andere wil onderscheiden, een eigen staat te gunnen. Afgezien van de praktische bezwaren, verlegt een dergelijke verbrokkeling van het internationale bestel de spanningen binnen het staatsbestel naar spanningen tussen (mini-)staten. Zo komen we van de regen in de drup.

Intern dienen staten de illusie op te geven dat zij, op negentiende-eeuwse wijze, een strikt centralistisch regime kunnen vestigen of handhaven. Willen zij als integrerende en pacificerende kracht overleven, dan zullen zij de pluraliteit van hun bevolkingssamenstelling moeten erkennen en met behoedzaamheid dienen te structureren.

Een gemakkelijke staatkundige formule is federalisme zeker niet. Maar er blijft weinig anders te kiezen nu zo overtuigend is bewezen dat alle grote ideeen die zijn beproefd, de mensen niet tot broederschap hebben bekeerd. Daarom is de nationale staat, in ieder geval vooralsnog, onmisbaar, als een dwingend kader waarbinnen een veelheid van culturele en etnische groepen geleerd kan worden elkaar met hun verschillen te aanvaarden. De staat blijft de macht die grenzen trekt welke niet mogen worden overschreden.