Been

Onlangs heb ik een beeld gezien waarvan ik weet dat het mij niet meer los zal laten.

Ik kwam in alle rust de stad binnengereden, hoewel de hele dag alles vreemd was verlopen, vanaf het averechtse opstaan en het stoten van mijn hoofd tegen een balk tot het blussen van een kleine maar felle binnenbrand en het hopeloze ordenen van de chaos daarna. Ik zat achter het stuur en dacht niet na, voelde niets. Ik had mij, eenmaal los van mijn werk, overgegeven aan de verdoving die vanuit mijn diepste binnenste leek te komen om mij te behoeden voor nog meer onrust, nieuwe pijn. Mijn bewegingen verrichtte ik automatisch; het was alsof Iets of Iemand aan onzichtbare draden trok die mijn armen en benen, voeten en hoofd op een adequate manier bewogen. Ik hield de stoplichten en het verkeer in de gaten zonder mij daarvan bewust te zijn: bij rood was ik gestopt, bij oranje en groen doorgereden. Rechts verleende ik voorrang en voor een spelend kind was ik met alle kracht op de rem gaan staan. Maar alles ging buiten mij om. Ik dacht nog wel: mensen zijn tot veel dingen in staat als ze de knop omdraaien; ze kunnen, als een hond, thuis komen zonder weet te hebben van de weg. Maar dat Iets of die Iemand kapte de gevaarlijke en voor het bewustzijn ondermijnende gedachte af, natuurlijk: ik mocht niet denken, mijn gevoel moest mij tot nader order met rust laten.

Ter hoogte van de Rijnstraat voegde zich een bontbeschilderde tram in. Hij haastte zich voor mij uit naar de vluchtheuvel in de verte. Hij stopte. Er stapten mensen uit. Ze wachtten tot de tram doorreed om daarna de drukke winkelstraat over te steken naar de linker- of rechterstoep. Een man wachtte niet. Hij rende langs de tram en stak zonder op of om te zien de straat over. Alsof hij achternagezeten werd, alsof hij wilde ontkomen.

In een fractie van een seconde zag ik gebeuren waar ik altijd al bang voor was geweest. De auto voor mij kon het niet helpen, de rennende man ook niet meer. Met een smak sloeg hij tegen het asfalt terwijl de rijbaan zich al vulde met toeterende taxi's en drukgebarende voetgangers; de tram baande zich luid bellend een weg naar zijn volgende halte.

Dit is het beeld wat mij niet los zal laten: de zwaargewonde man kijkt om zich heen alsof hij uit de hemel is komen vallen, grijpt zijn aktentas die naast hem ligt, staat op en loopt weg. Hij loopt weg. De benen die gebroken of verbrijzeld moeten zijn dragen hun romp en hun armen en hoofd en hersenen gedurende een stap, twee stappen, een meter wel. Dan knappen plotseling de draden waaraan Iets of Iemand trok. De enkels zwikken, de benen klappen dubbel, de romp breekt, het hoofd rolt over de weg.

Toen de ambulance arriveerde, was de man buiten kennis. Behendig werd hij ingeladen en afgevoerd. Een winkelier die zijn straat graag schoon hield, gooide met een zwaai een emmer water over het asfalt die de sporen niet uitwiste, maar verdunde. De automobilist voor mij moest blijven staan; wij, de anderen, de gelukkigen, reden door.

Maar ik was niet gelukkig. Bij de eerste de beste inham moest ik stoppen omdat de geheime kracht, de motor die mij vanuit Hilversum helemaal naar Amsterdam had voortbewogen, het plotseling, geschrokken waarschijnlijk door het beeld van de in verbijstering wegvluchtende gewonde, volledig liet afweten. De verdoving was uitgewerkt. Mijn lichaam moest alles weer zelf doen. Ik moest weer nadenken, ik moest weer voelen. Vanaf dat moment kon ik geen stap meer zetten, de pedalen van mijn auto geen millimeter meer naar beneden laten gaan; ik was verlamd.

Een duizendpoot, lees ik, nu, een paar weken later, kan doormidden gesneden worden zonder dat het hem hindert. Hij loopt verder met een helft de man verschijnt weer op mijn netvlies, lopend, zonder dat het kon en hagedissen, lees ik in dezelfde alinea, vluchten ver weg van de mens met achterlating van hun staart.