WILLY VANDERSTEEN 1903-1990; Een creatieve navolger

Er zijn twee Willy Vandersteens. De eerste hoorde met onder anderen Herge, Franquin en het Franse duo Uderzo en Goscinny tot de pioniers van het Europese stripverhaal. De tweede was een fabriek van stripalbums, waarvan in veertig jaar ongeveer 160 miljoen exemplaren in twintig talen over de hele wereld verkocht werden, in stripwinkels en supermarkten. De eerste is gisteren op 77-jarige leeftijd overleden, de tweede zal waarschijnlijk nog jarenlang blijven publiceren, waarbij het van ondergeschikt belang zal zijn of de avonturen van Suske en Wiske de 'Negende Muze' nog dienen, dan wel de marketing van zeep of pudding.

Willy Vandersteen had eigenlijk houtsnijder moeten worden in het atelier van zijn vader, die bouwkundige ornamenten maakte (en imitatie-antiek), maar na de oorlog was in deze branche te weinig emplooi. Vandersteen, die enige tekenopleiding had gehad, sprong met Herge in het gat dat de oorlog had veroorzaakt in de aanvoer van Amerikaanse dagblad-comics. Vanaf 1945 verscheen zijn verhaal Rikki en Wiske in de Antwerpse krant De Standaard. De naam Rikki was een vondst van de redactie, die Suske te 'volks' vond klinken. De eerste Suske en Wiske verscheen in 1947; Suske en Wiske op het eiland Amoras.

Vandersteen zou Vandersteen niet geworden zijn zonder zijn betrekking bij de Nederlandstalige uitgave van het weekblad Kuifje, kort na de oorlog. Herge, die er artistiek directeur was, maakte een generatie striptekenaars vertrouwd met de tekenstijl die nu bekend staat als 'de klare lijn', en met de typische beeldtaal van het stripverhaal, zoals concentrisch rond het hoofd spattend angstzweet, of een balloon-met-gloeilamp bij een lumineuze gedachte. Dergelijke 'moderne hieroglyfen', zoals ze wel genoemd zijn, horen nu bij het gezonken cultuurgoed, maar toen waren ze, althans in Europa, grotendeels vers. In die periode verscheen onder meer Vandersteens zogeheten 'Blauwe reeks' van Suske en Wiske, en twee albums met avonturen van Tijl Uilenspiegel.

In 1952 richtte Willy Vandersteen zijn eigen studio op, die een niet aflatende stroom albums volgens de succesvolle Vandersteen-formule produceerde: Bessy, Jerom, Robert en Bertrand, Biggles en De Rode Ridder, naast de Suske en Wiske-albums waarvan er inmiddels 224 zijn verschenen, inclusief de 65 zwart-wit-albums die later in kleur werden hertekend. Uiteraard tekende Vandersteen niet langer alles zelf. Hij bedacht een grof schema, waarna de tientallen studiomedewerkers de verhalen uitwerkten. Overbodig te zeggen dat de latere Vandersteen nauwelijks een artistieke vernieuwing voor het genre van de strip betekenden. Zijn tekenwerk werd voorspelbaar. De figuren van Lambiek, Jerommeke of Sidonia als absurd contrapunt werden net zo'n maniertje als de voorspelbaar allitererende titels. De liefhebber liet die albums dus maar staan.

In het begin van de jaren tachtig was Vandersteen het middelpunt van een relletje, toen Rob M(o/)hlman in een 'zwartboek' aantoonde dat 'de Grote Meneer van het Vlaamse Beeldverhaal' onder meer voor zijn aflevringen van Ridder Gloriant rijkelijk had geput uit de avonturen van Prince Valiant, een Amerikaanse comic door Hal Foster, die tussen 1938 en 1941 in enkele Nederlandse bladen was verschenen. M(o/)hlman wiens voorbeelden weinig twijfel laten bestaan over de omvang van de 'dieverij' stelt dat Vandersteen zich ook later schuldig maakte aan 'een cocktail van oud en nieuw'.

Door zijn fans werd Vandersteen in bescherming genomen: 'Die man heeft gewoon de klassieken goed bestudeerd', heette het.

Zelf zei hij naderhand over de ontleningen: 'De tekenaars van nu hebben het makkelijk, die gaan naar de academie en leren daar het vak van striptekenaar. Wij moesten het allemaal op eigen kracht leren, zonder enige opleiding. Dan is het logisch dat je je naar voorbeelden als Harold Foster richt.' De schaduwzijde van 'creatieve navolging' ondervond Vandersteen zelf toen hij processen voerde tegen de albums die als parodie op zijn moralistisch werk werden gepresenteerd, waaronder een 'pornoparodie' ('Oh, oh!... ik arriveer'). Pas in hoger beroep kreeg Vandersteen erkenning voor zijn beeldrecht.