Voorzitter ICRC naar Irak; Rode Kruis: mogelijk hulp voor Bagdad

GENEVE, 29 aug. De voorzitter van het Internationale Comite van het Rode Kruis (ICRC), Cornelio Sommaruga, gaat naar Bagdad om bij president Saddam Hussein aan te dringen op vrijlating van alle wederrechtelijk vastgehouden buitenlanders en indien nodig ook humanitaire hulp aan Irak te bespreken. Voedseltekorten als gevolg van het door de Verenigde Naties afgekondigde handelsembargo kunnen de Iraakse burgerbevolking treffen. Het ICRC zal Bagdad zijn goede diensten aanbieden om behalve voor de buitenlanders ook voor hulpbehoevende Irakezen 'een humanitair minimum', zoals Sommaruga het noemt, te garanderen. Hiermee schendt het ICRC de sanctie-resolutie 661 van de VN niet, aangezien expliciet de levering van noodzakelijke levensmiddelen en andere humanitaire hulp, zoals medische voorzieningen, van het embargo zijn uitgesloten.

Sommaruga kondigde aan de toegang veilig te willen stellen van ICRC-medewerkers tot alle buitenlanders die Irak of Koeweit niet uit mogen. Tot op heden wordt Rode Kruis-gedelegeerden niet toegestaan de in hotels geinterneerde buitenlanders te bezoeken. De vierde Geneefse oorlogsconventie, waar Sommaruga zich op beroept, behelst onder andere de bescherming van de burgerbevolking in een gewapend conflict. Irak is partij bij de Geneefse conventies.

Ongeveer dertig landen hebben tot dusverre de hulp ingeroepen van het ICRC om te bemiddelen voor de in Irak vastgehouden buitenlanders die door Saddam Hussein als 'een menselijk schild' dreigen te worden gebruikt. De door de Iraakse invasie van Koeweit verraste buitenlanders die het land niet mogen verlaten, hebben er recht op tegen hun gedwongen verblijf in beroep te gaan. Het ICRC heeft reeds 'met alle mogelijke middelen' bij Bagdad aangedrongen op naleving van de rechtsnormen, aldus Sommaruga in een vanmorgen gepubliceerd gesprek met de Tages Anzeiger.

De voorzitter van het ICRC staat in voortdurend contact met de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Perez de Cuellar, die morgen naar het Midden-Oosten afreist voor een bemiddelingspoging. Sommaruga zal vermoedelijk een dag na Perez de Cuellar door Tareq Aziz, de Iraakse minister van buitenlandse zaken, worden ontvangen.

Jordanie heeft het ICRC dringend om assistentie gevraagd bij de opvang van tienduizenden buitenlandse repatrianten uit Koeweit en Irak. Zaterdag is het eerste vliegtuig met hulpgoederen, voornamelijk tenten, watertanks en sanitair, naar Amman gezonden.

Ondertussen verloopt de uitwisseling onder auspicien van het ICRC van krijgsgevangenen uit Irak en Iran voorspoedig, in een tempo van 1000 per dag uit ieder land. Sinds 17 augustus, toen Bagdad onverwachts de Iraanse voorwaarden voor vrede aanvaardde en de eerste Iraniers werden vrijgelaten, heeft Irak 16.500 en Iran 17.200 krijgsgevangenen de grens overgezet. Het ICRC is behalve in de hoofdsteden alleen aan de grens vertegenwoordigd in de plaatsjes Khaniqin en Qasr-e-Shirine. Naast de registratie in geimproviseerde transito-kampen aan weerszijden van de grens moeten Rode Kruis-medewerkers ook vaststellen of de krijgsgevangenen uit vrije wil terugkeren. Een tot dusver onbekend, maar 'relatief gering' aantal wil blijven, uit vrees voor represailles in eigen land. Na de uitwisseling van alle krijgsgevangenen zal het ICRC deze weigeraars overdragen aan het UNHCR, de VN-vluchtelingenorganisatie. Het ICRC maakt zich vooral zorgen over het gebrek aan toezicht in de krijgsgevangenkampen. Nog steeds is niet duidelijk hoeveel kampen er zijn, en hoeveel krijgsgevangenen er in totaal nog vastzitten. De schatting van 100.000 in totaal dateert van augustus 1988, toen Iran en Irak een staakt-het-vuren overeenkwamen. Het ICRC had destijds 50.203 Irakezen geregistreerd, en 18.902 Iraniers. De VN schatten dat nog eens 20.000 Irakezen in een onbekend aantal kampen zonder toezicht of bescherming van het ICRC worden vastgehouden, terwijl Bagdad nog eens 10.000 Iraniers 'verborgen' houdt. ICRC-medewerkers hebben in Irak in dertien kampen geopereerd en in Iran tot 1987, toen de toegang tot alle kampen werd geweigerd, in totaal twaalf kampen de krijgsgevangenen kunnen registreren. Ingevolge artikel 118 van de derde Geneefse conventie had hun vrijlating reeds onmiddellijk na het staken van de vijandelijkheden moeten plaatshebben.