Voorraden van Westen intact door verhoging olieproduktie

WENEN, 29 aug. De Westerse landen hoeven hun strategische olievoorraden nog niet aan te spreken, nu Saoedi-Arabie en enkele andere OPEC-landen hun produktie opvoeren. Dit verwachten deskundigen van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs.

Bij het IEA en in kringen van de olie-industrie wordt opgelucht gereageerd op het besluit van tien lidstaten van OPEC, de organisatie van olie exporterende landen, om akkoord te gaan met een produktieverhoging.

Verwacht wordt dat de aanvankelijke paniekreacties in de oliehandel op de Golfcrisis door het besluit zullen wegebben. Na een eerste forse prijsdaling met ongeveer vier dollar op de termijnmarkt in New York op maandag zijn de noteringen in Londen en New York gisteren weer gestegen.

Vanochtend zijn de OPEC-ministers in Wenen het in meerderheid eens geworden over een verhoging van de produktie 'in overeenstemming met de vraag', aldus een mededeling van het OPEC-secretariaat. De afgelopen dagen waren de olieministers in informeel beraad bijeen. Drie leden van het kartel, Iran, Irak en Libie, zijn het niet eens met het besluit om de produktie te verhogen. De Iraanse olieminister Gholamreza Aghazadeh, die wel in Wenen aanwezig is, nam gisteren krachtig afstand van de produktieverhoging. 'Dit is een grote vergissing van OPEC. Ik kan dit akkoord niet accepteren', zei hij. 'OPEC moet het IEA vragen eerst de olievoorraden te verkleinen. Pas dan kunnen we denken aan produktieverhoging', aldus Aghazadeh.

Saoedi-Arabie, de Verenigde Arabische Emiraten, Venezuela en Nigeria kunnen op korte termijn de helft van de vervallen export van Irak en Koeweit tot 2 augustus 4,5 miljoen vaten ruwe olie per dag compenseren. De Saoedi's, verreweg de grootste exporteurs van olie, kunnen op langere termijn de produktie verder opvoeren.

Zolang de Golfcrisis voortduurt en er sprake is van oorlogsdreiging, is vermindering van de strategische olievoorraden in het Westen onwaarschijnlijk, aldus bronnen bij het IEA in Parijs. Aanstaande vrijdag beraadt het bestuur van het agentschap zich opnieuw over de situatie op de oliemarkt, de voorraden en de te verwachten aanvoer naar de Westerse landen.

IEA-voorzitter dr. U. Engelmann deed op 9 augustus al een beroep op alle olieproducerende landen om de export te verhogen. Ook vroeg hij de oliemaatschappijen zich te matigen in hun aankopen op de spotmarkten en waar mogelijk hun voorraden aan te spreken.

Volgens een recente raming van het IEA hebben de Westerse landen en Japan gemiddeld een totale voorraad gelijk aan honderd dagen binnenlandse consumptie, waarvan dertig dagen aan strategische voorraden. In Nederland is de totale voorraad zelfs gelijk aan 150 dagen consumptie. De minimaal verplichte reserve is de hoeveelheid die in negentig dagen wordt geimporteerd. Tweederde daarvan wordt door de regeringen beheerd en eenderde door de oliemaatschappijen.

Bij een vermindering van de olie-aanvoer met zeven procent spreekt het IEA van en noodsituatie. Het agentschap, dat na de oliecrisis van 1973 werd opgericht, beschikt over de bevoegdheid om in die situatie een verplichte verdeling van de aanwezige reserves en de aanvoer over de lidstaten af te kondigen. Ook kunnen vrijwillige en verplichte maatregelen worden afgekondigd om het olieverbruik te verminderen. De verminderde aanvoer als gevolg van het embargo tegen Irak en Koeweit was iets lager dan zeven procent. Produktieverhoging door OPEC-landen compenseert voorlopig de helft daarvan.