Landbouw verschuift naar westen van land

DEN HAAG, 29 aug. De agrarische produktie in het noorden en oosten van het land is de laatste vijf jaar sterk gedaald, terwijl de betekenis van het westen en de Flevopolders als landbouwgebieden is toegenomen.

Het aandeel van het westen in de totale agrarische produktie in Nederland is daardoor tot 35 procent gestegen. Dat blijkt uit het gisteren gepubliceerde jaarbericht van het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) in Den Haag.

Het instituut meldt dat de inkomens van akkerbouwers en bio-industrielen zich vorig jaar sterk hebben hersteld, nadat die een jaar eerder nogal waren tegengevallen. Ook de inkomens in de melkveehouderij en in de glastuinbouw zouden een vrij gunstige, zij het iets minder goede ontwikkeling doormaken.

Het aantal boerenbedrijven is in 1989 verder gedaald, vooral in de melkveehouderij (1984: 50.000 bedrijven, 1989: 40.000). Ook in de akkerbouw was in 1988/1989 sprake van een scherpe daling in het aantal bedrijven. Het LEI voorziet voor de komende jaren een minder snelle teruggang.

Vorig jaar lag de totale mestproduktie op 79 miljoen ton. Het milieuprobleem dat daardoor is ontstaan is voor zeventig procent toe te schrijven aan de rundveehouderij. Het overschot aan niet verwerkbare mest is nu 14,5 miljoen ton; verwacht wordt dat dit overschotprobleem nog aanzienlijk zal toenemen.

Volgens het LEI wordt de voedselproduktie in de derde wereld steeds kleiner. De wereld-graanvoorraden zouden een zorgwekkend laag peil hebben bereikt, wat volgens het LEI in schril contrast staat met de overschotten in de meeste westerse landen.