Laat naar bed en vroeg op

Vroeger had ik acht uur slaap nodig, tegenwoordig kan ik met zes uur volstaan. Een tijdwinst van twee uren waardoor mijn leven, al is het slechts schijnbaar, wordt verlengd, wat vooral op mijn leeftijd van belang is. Oude mensen die lang slapen en overdag gedurig indommelen, wat best ontroerend kan zijn, zijn toch eigenlijk met hun dood doende, bezig er een voorproefje van te nemen of er alvast aan te wennen. Het doodzijn kan niet verschrikkelijk zijn, is waarschijnlijk heel weldadig, geruststellend. 'Goede dood', zong P. C. Boutens.

Zelfs wanneer ik voor jongere begrippen laat naar bed ga, om halftwee bijvoorbeeld, kan ik toch betrekkelijk vroeg opstaan, om halfacht of zelfs zeven uur. Nu, in de nazomer, is het al volop licht, al schijnt de zon nog pas horizontaal, zoals op de daken en dakgoten van het verpleeghuis aan de overkant van de gracht. Het is een zacht getint zonlicht, een blank licht met een blos op de wangen. De nacht hangt nog in de bomen, een verspreide schemering van het gebladerte in het plantsoen tegenover mijn huis. De toppen vangen zonlicht, maar in de kruinen sluimeren nog nachtelijke gedachten en geheimen. De buitenste blaadjes van de bomen bewegen afzonderlijk in de lichte ochtendkoelte. Een meeuw vliegt op wiekslag boven de gracht. Een man fietst naar zijn werk, zijn trapper kraakt als een klein dier. Nog een uur en de eerste meisjes lopen voorbij. God, wat ben ik blij dat ik leef, nog leef.

De poes die vannacht, toen ik het raam sloot en de huisdeur vergrendelde, nog juist naar buiten was gesprongen en zich rap uit de voeten had gemaakt, wipt naar binnen en begroet mij met zijn indringend gemiauw dat mij meer als gemauw in de oren klinkt. Op mijn beurt moet ik nu geluid maken en daarom foeter ik een beetje tegen hem, op een vertrouwelijke toon, waarover hij van zijn tevredenheid laat blijken. Ik scheld vaak op hem, vooral 's ochtends vroeg, zonder dat hij er veel van merkt, om wat geweld kwijt te raken. Ik scheld ook vaak op mijzelf. Ik vind mijzelf heel vaak dom.

De poes gaat in de gang liggen slapen onder de spiegel met het lampje, dat de hele dag blijft branden, op een stel dozen die daar al een paar weken staan en de indruk van een vestiging bestendigen. Ik hou van deze stille uren, zowel het nachtelijke als het morgenlijke, met een drang en innigheid die mij de liefde voor een vrouw, vrouwen in herinnering brengt. Het besef dat 's nachts alle mensen slapen en 'sochtends nog maar weinigen zijn opgestaan, geeft mij een wijd gevoel van rust, de rust van een man die een lang leven als een landschap overziet.