Klankidealen hebben meer met smaak dan historiciteit te maken

UTRECHT, 29 aug. Halverwege het Festival Oude Muziek word ik altijd overvallen door opstandigheid. Waarom stromen uur na uur al die zalen vol? Wat vinden musici zo leuk aan het spelen op primitieve instrumenten die ze na ieder deuntje moeten stemmen? Waarom staat de gewone piano weggedrukt in een hoek achter het publiek, net goed genoeg om dienst te doen als hoedenplank, terwijl op het podium drie fortepiano's staan, waarvan de jongste een eeuw oud is? In zo'n stemming stel ik me voor dat Johann Sebastian Bach plotseling een concert binnenstapt en onbedaarlijk begint te lachen. Speelt iemand daar werkelijk een van zijn fuga's op zo'n oud klavecimbel? Maar er zijn toch allerlei nieuwe instrumenten met mogelijkheden waarvan hij alleen maar kon dromen? De musicus verdedigt zich: maar meester, dat is toch niet volgens uw bedoelingen. Ach wat, hoor ik Bach dan zeggen, gaat het om de bedoeling of om de schoonheid? Dat is de kernvraag van het Festival Oude Muziek. Het antwoord is in de loop der jaren veranderd. Hoewel, niet het antwoord veranderde, maar het klinkend resultaat. Musici beweren, dat de schoonheid beter hoorbaar wordt, als de bedoeling van de componist dichter wordt benaderd. Die gedachte bracht de uitvoeringspraktijk in handen van musicologische uitvoerders. Verantwoord bronnenonderzoek en theorievorming hebben het stof van de oude partituren gehaald, of het op zijn minst zodanig doen opwaaien dat de dikste lagen zijn verdwenen. Het resultaat is jaarlijks te horen in het Festival Oude Muziek, een soort museum van muziek uit het verleden. Zoals in musea middeleeuwse altaarstukken tegen een grijze betonnen muren zijn uitgestald, zo klinkt in dit festival heidense muziek uit de achtste eeuw in een elfde-eeuwse crypte en speelt Anthony Rooley een zacht luitmuziekje in een betonnen zaal waar 2000 mensen in Vredenburg angstvallig bedenken hoe ze nog stiller kunnen zijn, om nog juist iets van de klank te horen.

Het lastige van oude muziek is de discrepantie tussen de concrete restanten van het verleden in de vorm van de genoteerde partituur, en de klank, de uitvoering. Die laatste is altijd nieuw. Als de geschiedenis van de uitvoeringspraktijk iets heeft geleerd, is het wel dat het klankideaal meer met smaak, dan met historiciteit te maken heeft: Mendelssohn speelde van achter de piano Bachs werken volgens eigen zeggen 'zoals zij werkelijk geschreven zijn'.

De middeleeuwse muziek klonk in de jaren zestig zo exotisch als de tijd toen was, en tegenwoordig steeds strakker en zakelijker. Op dat punt is de oude muziek net zo twintigste-eeuws als Boulez en Stockhausen.

Blijft echter de vraag waarom het publiek wel massaal naar het een en niet naar het andere komt luisteren. Misschien is dat eerder een sociologisch dan een esthetisch fenomeen. Tijdens het Festival Oude Muziek valt op hoe ontspannen de musici vaak op het podium staan, hoe direct de relatie is met het publiek. Het contrast met het 'gevestigde' muziekleven (waar het Festival overigens wel bij dreigt te gaan horen), waar regelmatig verveeld een programma wordt afgewerkt, is groot. Catherine Bott, sopraan van The New London Consort, speelt met de zaal. The Consort of Musicke maakt van een uitvoering een cabareteske show waarin ook nog eens op hoog niveau wordt gemusiceerd. De liefde voor de muziek straalt eraf. En het publiek? Dat heeft de reguliere paden inmiddels platgelopen en is op zoek naar iets nieuws. Een zekere bevattelijkheid is vereist. Wat dat betreft zit men in Utrecht goed.