Hergroepering in de Arabische wereld

De tegenstanders van Saddam Hussein in de Arabische wereld zijn van zwaar politiek kaliber. Het zijn de landen die de hoofdrol speelden in de oorlog van 1973 en nadien de Arabische statenordening vormgaven. Het gaat om Egypte en Syrie, die Israel aanvielen, en de rijke oliestaten die het oliewapen inzetten tegen het Westen. Nu richten zij zich met behulp van datzelfde Westen tegen het broederland Irak. De as Kairo-Riad met een stippellijn naar Washington heeft zichzelf indertijd bewezen. De tegenwoordige crisis brengt deze landen ertoe een aantal afspraken te vernieuwen.

Het is goed eraan te herinneren dat de Westersgezinde Arabische leiders begin 1973 zo goed als afgeschreven waren. De vermaarde correspondent van de Neue Zurcher Zeitung, Arnold Hottinger, waarschuwde in Foreign Affairs voor een radicale machtsovername. Ook de dagen van Egyptes president Sadat leken geteld. Hij was het niet waard de mantel te dragen van zijn voorganger Nasser, de charismatische Arabische leider.

Tot ieders verbazing was enkele maanden later echter het tegendeel een feit. Sadats aanval op Israel had zijn positie veiliggesteld. De oliestaten in de Golf waren onder aanvoering van Saoedi-Arabie belangrijke spelers op het wereldpolitieke toneel geworden. De geindustrialiseerde landen bogen in het stof voor de oliemacht. Door hun innige samenwerking met Egypte en Syrie en hun machtsvertoon tegen het Westen hadden de Golfstaten de radicale Arabische landen plotseling 'links' ingehaald. De verblufte Libische leider Gaddafi klaagde luidkeels over het onrecht dat 'die oliehandelaren' in de Golf hem hadden aangedaan. Irak sloot zich op in een hooghartige pose en deed niet aan de olie-oorlog mee, omdat het oliewapen niet radicaal genoeg was'.

Al dat misbaar was echter vergeefs. Op het vlak van de inter-Arabische betrekkingen hadden de Golfstaten een schitterende overwinning behaald. De Arabische massa's waren onder de indruk. Volgens de Egyptische publicist Mohammed Heikal, waren de geesten nu vervuld van tharwa (rijkdom) in plaats van het gangbare thawra (revolutie). De belangengemeenschap tussen Egypte en Saoedi-Arabie vormde de politieke hoeksteen voor de na-oorlogse samenwerking met de industrielanden. Het opbouwen van de eigen economieen met behulp van oliedollars had ook prioriteit in de radicale olielanden. Alle staten deelden in de voorkeur voor een krachtig mercantilisme. De nationale leiders kregen steeds meer macht als distributeurs van geld en gunsten.

Uit deze gedeelde belangen vloeide een ordening van de onderlinge betrekkingen voort, met in beginsel als hoofdzaak: niet-inmenging in elkaars aangelegenheden. De oliesjeiks ondersteunden dit afsprakenstelsel door de have nots met het chequeboek tegemoet te komen. Daarbij keek men niet naar de specifieke politieke stellingname van de ontvangers, noch naar hun onderlinge geschillen. Zowel Syrie als de PLO stond naast vele andere op de betaallijst.

Op de helling

Saddam Husseins annexatie van Koeweit heeft deze Arabische ordening plotseling op de helling gezet. Behalve PLO-voorzitter Arafat is geen van de Arabische leiders erdoor gecharmeerd. Bij de bevolkingen ligt dat anders. De Iraakse lokroep tot verdeling van de olierijkdommen heeft in een aantal landen gehoor gevonden. Wegens de grote werkloosheid en politieke onvrede die ook elders heersen, kan Saddams aanhang bij de grotendeels jeugdige bevolking in de Arabische wereld nog groeien. Opstand tegen de machthebbers is een populair thema, dat bovendien op steun kan rekenen van moslim-fundamentalisten. Indien Saddam Hussein door een militaire of economische nederlaag het martelaarschap verwerft, zal de lont nog dichter bij het kruitvat komen. De vooruitzichten zijn alleszins somber in Jordanie en Algerije, twee goede kandidaten voor een revolutie. Daarbij moet worden bedacht dat in deze landen al voor deze crisis een explosieve maatschappelijke situatie bestond.

Andere gegadigden voor massale sociale onrust, Syrie en Egypte, ontspringen daarentegen juist de dans door hun krachtige stellingname tegen Irak. Het identificeren van amokmakers als 'handlangers van Saddam Hussein' zal weinig moeite kosten. In Egypte kan het bewind daarbij teren op de hevige gevoelens van frustratie en woede onder de honderdduizenden en straks misschien zelfs miljoenen berooide Egyptenaren die uit Irak zijn gerepatrieerd. In Syrie heeft de repressieve arm van het bewind helaas nog geen tekenen van zwakte vertoond. En de Golfstaten? Ook daar lijken revoluties minder kans te maken dan voorheen, wegens de binnenlandse cohesie die een buitenlandse vijand nu eenmaal teweegbrengt.

Het is opmerkelijk hoe snel Saoedi-Arabie en de Verenigde Staten het eens waren over de beveiliging van de Golf-regio. Dat wijst op eenzelfde Saoedische vastbeslotenheid als in 1973. Toen zag men geen andere uitweg dan bondgenoot en toeverlaat, de Verenigde Staten, met een olieboycot te treffen. Nu is men kennelijk bereid tot een ander uiterste te gaan. Evenals in 1973 geniet Saoedi-Arabie nu de actieve politieke steun van Egypte. Dat is met zoveel niet-moslims in het land geen overbodige luxe. Een aanbod van de Saoedi's om Egypte (en andere steunverlenende landen) financieel bij te staan, ligt in de verwachting. Dat is dan het antwoord van de geordende Arabische wereld op Saddams revolutionaire oproep de rijkdom te verdelen.

Arafat

Tegenstanders in het Arabische kamp kunnen daarentegen voorlopig niet op de gunsten van de oliesjeiks rekenen. Naar verluidt is de Saoedische subsidiekraan voor de PLO al dichtgedraaid. Jasser Arafat heeft zich in Soedische ogen aan een andere draai schuldig gemaakt dan waar het Westen zo verbolgen over is. Het betreft zijn steun voor Iraks revolutionaire beweging. Daarmee schendt de PLO de inter-Arabische ordening waaraan zij in grote mate haar zelfstandigheid dankt.

De PLO kreeg in de jaren zeventig de status van quasi-staat in ruil voor de belofte zich niet met de binnenlandse aangelegenheden van Arabische landen te bemoeien. Van 1974 af mocht zij zich de enige legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk noemen en twee jaar later kon zij als volwaardig lid toetreden tot de Arabische Liga. Als tegenprestatie konden de Arabische landen, met uitzondering van Libanon, erop vertrouwen dat het Palestijnse revolutionaire vuur niet naar hun grondgebied zou overslaan.

Aan deze relatie is voorlopig een einde gekomen. De PLO als mede-fakkeldrager van het revolutionair elan is in Riad en de Golfstaten niet welkom. Een knieval ligt voor Arafat in het verschiet, al zal zijn opgewonden achterban hem daar nu van weerhouden. Maar eens zal hij op de deur van Egyptes president Mubarak aankloppen. Die zal als enige voor hem de weg kunnen bereiden naar Riad.