HARDE KLAP VOOR DERDE WERELD Arme landen sinds vorige oliecrises kwetsbaarder geworden

De huidige stijging van de olieprijs staat in geen enkele verhouding tot de verviervoudiging van het prijsniveau tijdens de eerste oliecrisis in 1973 en de verdrievoudiging in 1979-1980. Niettemin kunnen veel landen in de Derde Wereld een grotere economische schok verwachten van de onrust aan het oliefront dan destijds.

Een paar simpele cijfers. Sinds de laatste olieschok in 1979 is volgens gegevens van de Wereldbank het olieverbruik in ontwikkelingslanden met 57 procent gestegen. In de rest van de wereld steeg het verbruik over dezelfde periode met 27 procent. Een ander kengetal komt van het Development Center van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso). Tussen 1965 en 1990 is de 'energie-afhankelijkheid' van Derde Wereldlanden toegenomen van zes tot elf procent; bijna een verdubbeling dus. Het cijfer geeft het percentage van de exportopbrengsten aan dat een land moet uittrekken om de energie-import te dekken. Het gaat hierbij voornamelijk om de invoer van olie. Voor sommige van de armste landen, met name die in Afrika, is de energie-afhankelijkheid zelfs tot boven de veertig procent gestegen. 'De ontwikkelingslanden zijn nu kwetsbaarder voor een olieschok', concludeert een onderzoeker van de Wereldbank in Washington. De toenemende afhankelijkheid van ontwikkelingslanden van olie-import hangt behalve met de snelle bevolkingsgroei, vooral samen met de sterk toegenomen industrialisatie, met name in een aantal Aziatische landen. Bovendien heeft in deze landen ook de motorisering van het verkeer toegeslagen. Door de urbanisatie is het gebruik in de particuliere huishoudens van traditionele brandstoffen (hout, houtskool) verminderd. De economieen van Derde Wereldlanden kunnen ook veel minder flexibel inspelen op hogere olie-prijzen; er zijn eenvoudigweg nauwelijks alternatieven. 'De politieke onzekerheid en het gebrek aan stabiliteit in de Golf stimuleren het zoeken naar alternatieve energiebronnen en energiebesparende technieken in de Westerse landen. Vooral het bedrijfsleven kan daarin een rol spelen', zegt onder-directeur John Ferriter van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs. 'Maar de Derde Wereldlanden hebben er niet de financiele en technische middelen voor; zij kunnen alleen hopen dat de alternatieven uit het Westen met een vertraging ook bij hen kunnen worden toegepast. '

Twee effecten

Een olieschok heeft zowel een direct als een indirect effect op ontwikkelingslanden. De landen die zelf geen olie produceren en ook nauwelijks over alternatieve energiebronnen zoals bij voorbeeld waterkracht beschikken, krijgen onmiddellijk de olierekening gepresenteerd. Neem een land als Tanzania, waar de olie-import 6,5 procent van het nationaal inkomen bedraagt; een verdubbeling van de olieprijs betekent daar dus direct een vermindering van dit inkomen met hetzelfde percentage. In de Dominicaanse Republiek beloopt de olie-import bijna acht procent van het nationaal inkomen; dit land kan dus een nog hardere klap verwachten.

Een belangrijk indirect effect is de hogere rente; een gevolg van de inflatieverwachting die oploopt door de hogere olieprijzen. Het Nederlandse Centraal Planbureau bij voorbeeld gaat er bij een olieprijs van dertig dollar per vat van uit dat de nominale rente een procent hoger uitkomt. De Latijnsamerikaanse schuldenlanden zullen dat rente-effect het spoedig merken aan hun toch al vrijwel uitgeputte deviezenvoorraden; tweederde van hun buitenlandse schuld heeft een variabele rente. Een land als Brazilie, met een buitenlandse schuld van 110 miljard dollar, moet al een miljard extra aan rentebetalingen opbrengen. Het directe effect is in vergelijking met dat voor de minst ontwikkelde landen nog relatief gering, omdat de Braziliaanse olie-importen een veel geringer deel (1,7 procent) van het nationaal inkomen uitmaken. Een schrale troost voor de Braziliaanse minister van financien, want de olierekening kan bij het huidige prijspeil al gauw met een miljard dollar oplopen.

Ook koersaanpassingen zullen hun effect hebben op de schuldenlanden. De dollarkoers zal door de hogere rente iets oplopen, of in elk geval minder deprecieren dan anders het geval was geweest. En meer dan de helft van de Latijnsamerikaanse buitenlandse schuld luidt in dollars.

Een ander indirect effect voor ontwikkelingslanden is de te verwachten verslechtering van de ruilvoet (de verhouding tussen export- en importprijzen). De Derde Wereldlanden krijgen immers te maken met (door de inflatie) duurdere importgoederen uit het Westen. Bovendien zou het exportprijspeil van de ontwikkelingslanden licht kunnen dalen, doordat door een tragere economische groei de vraag van het Westen naar hun goederen en grondstoffen afneemt.

De verschillende denktanks gaan er vooralsnog van uit dat de olieprijzen niet de pan zullen uitrijzen. Onder-directeur Ferriter van het IEA, dat nauwe contacten onderhoudt met de Oeso, zegt: 'In 1979 waren de olievoorraden veel geringer dan nu en de Opec-landen produceerden al op topcapaciteit. Bovendien is het relatieve belang van olie als energiebron afgenomen. Zo hebben bij de opwekking van elektriciteit nucleaire energie, kolen en aardgas opgang gemaakt.'

Het meest waarschijnlijk geachte scenario is daarom dat de olieprijs zich enkele maanden op een niveau van rond de dertig dollar per vat handhaaft.

Petrodollars

Dat landen in de Derde Wereld niettemin sterk negatieve gevolgen van de olieschok ondervinden, houdt ook verband met de sinds de eerste en tweede oliecrisis gewijzigde financiele verhoudingen. Grootste vrees van de internationale monetaire autoriteiten was destijds een wereldwijde deflatie, uitmondend in een scherpe conjuncturele neergang. De Opec-landen incasseerden door de enorme olieprijsstijging miljarden aan extra inkomsten, die werden onttrokken aan de economieen van de Westerse landen. Het was dus zaak de Opec-landen ertoe te bewegen deze 'petrodollars' terug te pompen door investeringen in het Westen. Dat is op grote schaal gebeurd; het Westerse bankwezen kreeg hierdoor de beschikking over enorme liquiditeiten. Om de Derde Wereldlanden in staat te stellen hun olierekening te betalen, kwam op initiatief van toenmalig IMF-directeur dr. H. J. Witteveen een speciale oliefaciliteit (later omgedoopt tot 'Witteveen-faciliteit') tot stand van zo'n vijf miljard dollar; voor de banken aanleiding massaal te lenen aan de ontwikkelingslanden. Daarmee werd overigens wel de basis voor de huidige schuldencrisis gelegd. 'Als de Amerikanen zich niet hadden verzet, was de IMF-oliefaciliteit veel groter uitgevallen. Dan hadden de ontwikkelingslanden ook veel eerder tot economische aanpassing kunnen worden gedwongen', zegt Witteveen terugblikkend.

Volgens de voormalige IMF-directeur is het gevaar voor een deflatoire ontwikkeling nu veel geringer, omdat de Opec-landen door de relatief bescheiden prijsstijging niet zulke grote financiele overschotten zullen hebben. Bovendien hebben de Opec-landen nu voldoende eigen bestedingsmogelijkheden. Maar voor de Derde Wereldlanden snijdt het mes nu aan de verkeerde kant: er komen nauwelijks extra liquiditeiten vrij om naar hen door te sluizen; bovendien is er met de huidige schuldencrisis geen particuliere bank meer te vinden die nog geld wil lenen aan een ontwikkelingsland. Witteveen ziet nog geen aanleiding voor het in werking stellen van een nieuwe oliefaciliteit door het IMF naar het voorbeeld van 1973. 'Voor veel landen is nu toch eerst economische aanpassing geboden'. Wel zou er volgens hem iets moeten gebeuren voor de allerarmste ontwikkelingslanden. 'Ik hoop dat dit tijdens de jaarvergadering van het IMF volgende maand in Washington aan de orde komt.' Ook directeur dr. L. Emmerij van het Development Center van de Oeso in Parijs maakt zich zorgen over de armste landen, de zogenoemde LDC's (Least Developed Countries). Volgende maand vindt de tweede conferentie over deze landen (jaarinkomen per hoofd minder dan 280 dollar) in Parijs plaats. Tijdens de vorige conferentie in 1981 zegden de donorlanden van de Oeso toe 0,15 procent van hun bruto nationaal produkt aan de LDC's te besteden. Die toezegging is nauwelijks gestand gedaan. De hulp van de Verenigde Staten liep zelfs terug van 0,03 procent tot 0,02 procent en die van het Verenigde Koninkrijk van 0,13 procent tot 0,09 procent. 'Ik hoop dat de huidige ontwikkelingen op de oliemarkt als 'hefboom' zullen fungeren om de aandacht van de donoren voor de armste landen te vergroten', aldus Emmerij.