De bescheiden acteerkunst van Alec Guinness

Bescheidenheid is zo'n opvallende eigenschap van Sir Alec Guinness dat de adellijke titel voor zijn naam minder vanzelfsprekend lijkt dan bij Lord Olivier of Sir Gielgud. De in 1914 geboren acteur stond tijdens zijn lange toneelloopbaan in de publicitaire schaduw van de romanticus John Gielgud en de pompeuze Laurence Olivier, maar zijn perfecte beheersing van de kunst van het weglaten maakten hem misschien meer geschikt voor filmrollen, die hij vanaf 1946 (Great Expectations) dan ook zeer regelmatig speelde. Het publiek herinnert zich Guinness vooral van de verfijnde komedies van de Ealing studio uit de jaren vijftig, waarvan de NOS er deze week nog drie uitzendt. Ook vertoont die omroep een filmportret uit 1985, eigenlijk meer een 'aangekleed' interview door Melvyn Bragg.

Aan het begin van het televisieportret loopt een man in een onopvallende regenjas tussen andere voorbijgangers door een regenachtige Londense straat. Het duurt even voordat men zich realiseert dat het Guinness is. Veel interviews heeft de acteur nooit gegeven, en ook nu blijkt hij weinig woorden te willen verspillen aan zijn vak. Relatief de meeste aandacht krijgt zijn eerste liefde, het toneel, dat hij zijn 'thuis' noemt. Gevraagd naar zijn legendarische vermogen om verschillende gedaantes aan te nemen, trekt Guinness een zuinig gezicht en maakt een wegwuivend gebaar. Hij beschouwt Kind Hearts and Coronets, waarin hij acht rollen speelde (zaterdag bij de NOS) als het meest in het oog springende en daarom door het publiek lang herinnerde summum van die periode, waarin hij zo veel mogelijk personages uitprobeerde. Het echte acteren heeft zulke excessen niet nodig, al bestrijdt Guinness ook de misvatting dat hij altijd discreet speelde. Fragmenten uit Oliver Twist, als een flamboyante Fagin, en uit Tunes of Glory, als een excentrieke Schot, bewijzen zijn gelijk.

In feite doet de zoveelste hervertoning op televisie van de Ealing comedies geen recht aan de rijke carriere van een van de meest geliefde Britse filmacteurs. Maar het zijn waarschijnlijk wel zijn meest tot de verbeelding sprekende rollen, omdat de films zo aardig zijn. Niemand herinnert zich immers lang Guinness' vertolkingen van koning Karel I, paus Innocentius III of Adolf Hitler. In lichte komedies kwam zijn talent wellicht beter tot uiting dan in kostuumdrama's, maar eigenlijk beheerste Guinness alle genres behalve de western.