Ontwikkelingshulp voor de rosse grutto

De Banc d'Arguin is een tropisch waddengebied voor de kust van Mauretanie, West-Afrika; een soort Nederlandse Waddenzee maar dan kleiner en aanzienlijk warmer aan de rand van de Sahara. Ooit kwamen er Nederlanders om slaven te halen, daarna raakte de Banc voor lange tijd in de vergetelheid tot een Franse pater hier in 1960 omvangrijke kolonies broedende pelikanen en flamingo's op het spoor kwam. Een jaar of tien later was het een Duitse tandarts die in dezelfde streek enorme aantallen overwinterende wadvogels ontdekte. Vervolgens, in 1985, '86 en '88, verschenen er opnieuw Nederlanders, maar ditmaal met de meest vreedzame en positieve bedoelingen. Het betrof medewerkers van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (RIN, onderdeel van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij), de Werkgroep Internationaal Wad- en Watervogelonderzoek (WIWO) en het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Ze waren uitgezonden om studie te doen naar het winterdomein van steltlopers die in het voorjaar naar hun broedplaatsen in Noord-Europa en Siberie trekken en ongeveer halverwege in of bij de Waddenzee neerstrijken, waar ze nieuwe krachten opdoen alvorens hun reis te vervolgen.

Onlangs zijn de resultaten van het onderzoek in boekvorm verschenen onder de titel Homeward Bound als speciale aflevering van het ornithologische tijdschrift Ardea. Daaruit blijkt dat de Banc d'Arguin, waar op circa 500 vierkante kilometer wad meer dan twee miljoen steltlopers overwinteren, die vogels relatief weinig voedsel te bieden heeft. Verreweg de meeste soorten leven van uiterst kleine prooien, waarvoor ze in Nederland hun snavel zouden ophalen. Een uitzondering vormt de scholekster, die zich voedt met de reusachtige Afrikaanse bloedkokkel. Desondanks slagen de dieren erin voldoende reserves op te bouwen om de duizendend kilometers lange terugtocht naar hun broedplaatsen af te leggen. Dat danken ze aan het feit dat hun energieverbruik in Afrika veel lager ligt dan tijdens hun verblijf in de meestal hoog-noordelijke streken en dat heeft weer te maken met de hoge temperatuur ter plaatse, die ervoor zorgt dat de vogels nauwelijks energie verliezen aan het reguleren van de temperatuur. Dit is volgens projectleider prof. dr. W. J. Wolff, wetenschappelijk directeur van het RIN, de belangrijkste conclusie uit het rapport.

Rosse grutto

Tot de troeteldieren van de onderzoekers behoorde de rosse grutto, die het traject Banc d'Arguin-Waddenzee, een afstand van 4.300 kilometer, non-stop in minder dan drie etmalen pleegt af te leggen. Dat gebeurt omstreeks eind april. Deze prestatie wordt vooral toegeschreven aan het vermogen van de rosse grutto om te profiteren van wind in de rug op grotere hoogte, tot vijfenhalve kilometer boven land of zee. Zelf ontwikkelt deze steltloper een gemiddelde snelheid van 57 kilometer per uur, waar nog eens gemiddeld achttien kilometer bijkomt door gunstige wind. Dat betekent dat hij onder dergelijke omstandigheden 57,3 uur nodig heeft om die 4.300 kilometer te overbruggen.

Tijdens de vlucht verliezen de mannetjes zo'n 136 gram en de vrouwtjes, die wat groter zijn, bijna 180 gram aan lichaamsgewicht, waarna ze uitgehongerd en volkomen uitgeput landen. Vervolgens blijven ze een week of drie op het Nederlandse wad om dan verder naar het hoge noorden te trekken en op de Siberische toendra's hun eieren te leggen en uit te broeden, direct nadat de sneeuw is gesmolten. Ook dat tweede traject, een afstand van nog eens drie- tot vierduizend kilometer, wordt weer in een ruk afgelegd, maar dan is het verloren lichaamsgewicht inmiddels ruimschoots gecompenseerd. De mannetjes groeien op de Waddenzee 5,6 gram en de vrouwtjes 7,5 gram per dag.

In hoeverre vormt het zoute en warme milieu van de Banc d'Arguin een probleem voor de aldaar overwinterende steltlopers? Om antwoord op die vraag te krijgen, werden onder meer kanoetstrandlopers ter plaatse in kooien gehouden en onderworpen aan diverse consumptieve proeven. Experimenten waarbij ze dagenlang zeewater aangeboden kregen, toonden aan dat in de loop van de tijd de voedselopname hoger werd en er dus sprake was van een zekere gewenning aan het zoute drinkwater. Volgens de onderzoek valt te verwachten dat de vogels tijdens het aanleggen van de lichaamsreserves die noodzakelijk zijn voor de trek naar het noorden, hun opnamesnelheid maximaliseren.

Steltlopers, zo leest men elders in het rapport, kunnen op de Banc d'Arguin, slechts in gewicht toenemen door hun voedselopname te verhogen in de vier tot zes weken voor hun vertrek. Sommige soorten (bijvoorbeeld bonte strandloper, kanoetstrandloper en rosse grutto) bereiken dit door hun fourageertijd te verlengen: ze fourageren meer 's nachts en gaan daarmee door gedurende de lange 'droogligtijden' met dood tij en wanneer het heel warm is. Onder zulke omstandigheden zijn ze in februari en maart meestal niet bijzonder actief.

Onmisbare rol

De expedities van 1985 en 1986 naar Mauretanie waren volledig op wadvogels gericht; die van 1988 behelsde een aanzienlijk breder onderzoek, waarbij ook zaken als hydrografie, de verscheidenheid aan zeegrassen en visstand aandacht kregen. Daartussendoor bestudeerde men nog een soortgelijke lokatie in het zuidelijker gelegen Guinee-Bissau. Prof. Wolff concludeert uit de optelsom van naspeuringen dat de Banc d'Arguin en andere Westafrikaanse kuststreken een onmisbare rol spelen in het leven van 'onze' wadvogels: ' Als we die vogels willen beschermen, moeten we er dus de Afrikaanse overwinteringsgebieden bij betrekken'. Dat gebeurt inmiddels ook. Organisaties als de Vogelbescherming en het Wereldnatuurfonds houden zich nu metterdaad bezig met de bescherming van de Banc d'Arguin en datzelfde geldt, naar de RIN-directeur verzekert, voor de directie natuur-, milieu- en faunabescherming van het ministerie, waartoe ook zijn instituut behoort. In het Natuurbeleidsplan van minister Braks wordt op grond van de in Mauretanie behaalde onderzoeksresultaten nadrukkelijk aandacht geschonken aan de Westafrikaanse 'wetlands', angelsaksische verzamelnaam voor natte domeinen die vooral om hun vogelrijkdom bescherming verdienen.

In de praktijk houdt dit in dat bij wijze van ontwikkelingshulp financiele en materiele steun wordt verleend aan de lokale vissersbevolking, die door haar milieuvriendelijke manier van werken en het weren van ongewenste bezoekers een belangrijke rol speelt bij het beheren van de Banc d'Arguin. Wat Wolff betreft kan het geld niet beter worden besteed als het om wadvogels ook 'onze' wadvogels gaat: ' In West-Afrika doe je met een en dezelfde gulden meer dan in Nederland. Daar is die gulden minstens een daalder waard'.

Als gunstige omstandigheid geldt bovendien dat de Banc d'Arguin tot nationaal park werd verheven, al is die status door raciale tegenstellingen in Mauretanie helaas nog wankel.