Literatuur toptwintig kan er ook heel anders uitzien

Een empirisch onderbouwde literaire toptwintig ziet er heel anders uit dan de verplichte literatuurlijst voor HAVO en VWO die vorige week voor zoveel opschudding zorgde. In zijn in 1987 verschenen proefschrift 'The reception of Dutch fictional prose in Great Britain' heeft dr. J. Kaat het succes van Nederlandse literatuur in vertaling op de Britse markt bestudeerd. Daartoe probeerde hij eerst de 'canon' van de Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw te bepalen: welke boeken zijn de algemeen erkende meesterwerken?. Zijn methode verschilt drastisch van die van de twee hoogleraren en een universitaire docent Anbeek, Bekkering en Goedegebuure, die een 'representatief beeld van de literatuur na 1830' hebben gegeven door naar eigen inzicht 21 boeken op een rij te zetten.

Kaat heeft bij zes Nederlandse universiteiten en een Vlaamse over de periode 1970 tot 1983 de (verplichte) literatuurlijsten voor eerstejaarsstudenten opgevraagd. Omdat hij zich beperkt tot de twintigste eeuw (inclusief auteurs van rond de eeuwwisseling als Couperus, Kloos en Van Eeden), ontbreken Multatuli (Max Havelaar) en Beets (Camera Obscura). Deze komen wel voor op de lijst van Anbeek, Bekkering en Goedegebuure die er verder als volgt uitziet: Gerrit Achterberg (een bloemlezing), Louis Paul Boon (Menuet), F. Bordewijk (Bint), Carry van Bruggen (Eva), Hugo Claus (De Metsiers), Louis Couperus (Van oude menschen ...), Willem Elsschot (Het Dwaallicht), Marcellus Emants (Inwijding), Hella Haasse (Een nieuwer testament), W. F. Hermans (De donkere kamer van Damocles), J. H. Leopold (een bloemlezing), Lucebert (Apocrief), Harry Mulisch (De Aanslag), Nescio (Titaantjes, De Uitvreter en Dichtertje), Martinus Nijhoff (Nieuwe Gedichten), Cees Nooteboom (Rituelen), Paul van Ostaijen (een bloemlezing), Gerard Reve (De avonden) en Simon Vestdijk (Terug tot Ina Damman). Uit het overzicht van Kaat blijkt dat de 7 universiteiten het maar over een meesterwerk eens zijn: alleen 'Music Hall' van Paul van Ostaijen komt op alle literatuurlijsten voor. Een groot verschil met bijvoorbeeld Groot-Brittanie, waar de classics min of meer vast liggen.

Als de universiteit van Leuven buiten beschouwing wordt gelaten, zijn de 6 Nederlandse universiteiten (Groningen, de Vrije Universiteit, de Universiteit van Amsterdam, Utrecht, Nijmegen en Leiden) het over zes meesterwerken eens. Drie hiervan stemmen overeen met de lijst van Anbeek en consorten: de boeken van Nescio, Nijhoff en Reve. De andere drie zijn opnieuw Nijhoff (Het uur U), J. van Oudshoorn (Willem Mertens Levensspiegel) en E. du Perron (Het land van herkomst). Over de door Anbeek, Bekkering en Goedegebuure voorgeschreven boeken van Van Bruggen, Claus, Couperus, Hermans en Lucebert zijn niet meer dan 4 Nederlandse universiteiten het eens, over Bordewijk en Elsschot 4 Nederlandse en Leuven, over Vestdijk 5 Nederlandse en over Boon 5 Nederlandse en Leuven. Het overzicht van Kaat stopt als minder dan 4 universiteiten het met elkaar eens zijn. Op dat moment zijn 73 boeken de revue gepasseerd. Toch ontbreken dan nog de door Anbeek, Bekkering en Goedegebuure voorgestelde bloemlezingen van Achterberg, Leopold en Van Ostaijen, Inwijding van Emants, Een nieuwer testament van Haasse, Rituelen van Nooteboom en De Aanslag van Mulisch (maar dat boek verscheen na het verzamelen van de gegevens voor het proefschrift). Behalve naar boeken heeft Kaat ook gekeken naar verplichte auteurs, onder meer om te voorkomen dat een veelschrijver als bijvoorbeeld Vestdijk laag scoort omdat van hem verschillende werken worden opgevoerd. De lijst met veel voorkomende auteurs lijkt meer op de boekenlijst van Anbeek en consorten, al zijn ook hier weer duidelijke verschillen. Alle 7 universiteiten zijn het eens over het grote schrijver- c.q. dichterschap van Achterberg, Boon, Elsschot, Hermans, Marsman, Van Ostaijen, Roland Holst, Van Schendel en Teirlinck. Vier van deze grootheden staan niet op de lijst van Anbeek, Bekkering en Goedegebuure. Met uitzondering van Haasse en Nooteboom vormen de andere auteurs van die lijst op alle 6 Nederlandse universiteiten verplichte kost. Haasse en Nooteboom komen bij de 73 boeken en 85 auteurs van Kaat uberhaupt niet voor.

Volgens Kaat bewijzen zijn bevindingen dat het Nederlandse literaire canon extreem gevarieerd is. Ook de grote verschillen in overeenstemming tussen verschillende bloemlezingen zouden hierop wijzen.