Literaire tijdschriften

Het dichten als Nero's vioolspel'Extra poezie' staat verlokkend op de omslag van het Nieuw Wereldtijdschrift. Toch is de redactie zich bewust van het feit dat juist poezie voor veel lezers een weinig toegankelijke kunstvorm is. 'Vandaar dit poezienummer.'

De redactie kan zich voorstellen dat slechte poezie niet populair is, maar goede moet toch ook onwillige lezers kunnen verleiden. Zeker vergezeld van 'een aantal wegwijzende essays'.

Het is een prijzenswaardig voornemen, al doet het voor een literair tijdschrift wat wonderlijk aan om het bestaansrecht van de poezie nog weer eens opnieuw te gaan verdedigen. Het NWT en misschien is dat juist heel goed lijkt er zich voortdurend van bewust dat lezers gepaaid moeten worden. Wie in de boekhandel zo maar eens het tijdschrift open doet, ziet zich meteen toegesproken vanuit animerende redactionele intro's bij artikelen en verhalen, en zijn of haar menselijke nieuwsgierigheid naar de auteur wordt ogenblikkelijk bevredigd door een pasfoto. Alleen dichters laat de redactie toch maar voor zichzelf spreken: geen introductie, geen portret. En zulke goede gedichten als die van Rutger Kopland of Leonard Nolens redden het inderdaad wel zonder introductie. De oppervlakkig gevoelerige versjes van Patricia de Martelaere niet, maar ook die zouden geen baat hebben bij een inleiding.

Zijn er tijden of momenten waarop het onbetamelijk is te dichten?, vraagt de Ierse dichter Seamus Heaney zich af in een essay dat 'De interessante kwestie van Nero, Tsjechovs cognac en een deurklopper' heet. Hij vertelt over een avond in Belfast waarop hijzelf en een bevriende zanger een bandje met poezie en gezang zouden samenstellen. Ze maken het bandje niet, omdat er diezelfde avond ontploffingen in de stad plaats hebben en het ze 'een belediging van het lijden' lijkt om op dat moment te gaan zingen. Ze zouden zich voelen als Nero die viool speelde terwijl Rome brandde, spreekwoordelijk ongevoelig. 'Hij pakte zijn gitaar weer in en we reden allebei weg, de verknalde avond in.'

Hadden zij 'gelijk' in hun gevoel vraagt Heaney zich de rest van zijn essay af. Hoe belangrijk is poezie? En hoe verhoudt zij zich tot de realiteit? Mag je bijvoorbeeld formele aanmerkingen maken op de gedichten van Wilfred Owen, die vanuit de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog hevig getuigde van de verschrikkingen? Heaney beschrijft hoe hij tegenover studenten bezwaren tegen Owens poezie naar voren bracht, bezwaren tegen het te veel, het te hevig, het te expliciet. 'Hoe beschaamd ik me ook voelde over zulke inbreuken, toch voelde ik ook dat het correct was die vragen te stellen. Niettemin was er duidelijk een immens verschil tussen de muggezifterige kritiek die ik op het gedicht uitoefende en de zware prijs, in termen van emotionele en fysieke pijn, die de dichter had moeten betalen om het tot stand te brengen.' Hoewel het nummer dus in het teken van de poezie staat, is een van de interessantste bijdragen het stuk van Carel Peeters over wat wel zijn lievelingsonderwerp moet zijn: de ideeen en de filosofie die men vindt in de literatuur. Schrijvers zijn natuurlijk geen filosofen of sociologen of psychologen en hun kennis is van een andere aard. Het is een subjectief en eigenaardig soort kennis die zij overdragen, literaire kennis, 'mooie kennis' zegt Peeters. 'Ik beweer dat wat wij weten over de verhouding van mensen ten opzichte van de wereld grotendeels afkomstig is uit de literatuur.'

Hij geeft voorbeelden van het soort inzichten dat schrijvers hebben, inzichten die zowel algemeen zijn als hoogstpersoonlijk in hun specifieke uitdrukking. 'Het is geindividualiseerde filosofie.'

Peeters lijkt vooral te lezen om kennis van de werld op te doen, ongebruikelijke en onverwachte kennis van de wereld. Slechts twee keer in zijn lange stuk geeft hij een citaat. Dat doet vermoeden dat het hem niet in de eerste plaats gaat om de precieze formulering van die kennis, dat hij de inhoud toch net iets boven de vorm stelt. Hij wil geen regels onthouden, hij wil ideeen onthouden. Eigenlijk lijkt hij, en dat in deze aflevering, juist van een on-poetische instelling te getuigen. Of, impliciet, voor essayistische poezie te pleiten.

Nieuw Wereldtijdschrift jrg.7, nr.4; Uitg. Dedalus Antwer- pen/Amsterdam, 80blz. Prijs: fl.12,50. Een trein die fluit als een leeuwerik

Altijd al veel poezie biedt De Tweede Ronde. Het blad is jarig: tien geworden. Om dat luister bij te zetten is er een flink vol zomernummer en een apart boekje: Achter gewone woorden: De beste poezie uit tien jaar De Tweede Ronde. Die ondertitel is misleidend. De in dit boekje gepresenteerde poezie is beslist niet de best poezie die het tijdschrift de afgelopen tien jaar heeft afgedrukt. Die komt namelijk uit het buitenland, de poezie die de redactie uit eigen land opneemt is dikwijls niet erg bijzonder. Juist uit die matige nederlandstalige verskunst is nu gekozen en in het boekje staan dan ook strofes als: Je lag, zoals dit schrijfboek, open voormijn blik, die nauwelijks de barre hoogte van je tepelhof dorstte genaken van Frans Denissen en allerhande quasi-poetische flauwe en gemakzuchtige regels van dichters die volgens de samenstellers Marco Fondse en Peter Verstegen poezie schrijven 'waarin het verstand niet is uitgeschakeld, die niet primair appelleert aan het irrationele of onbewuste, en waarin is gestreefd (...) naar ordening'.

De omschrijving gaat nog verder maar blijft zo ruim dat de meeste poezie erin kan passen, zowel de aardige van J. Eijkelboom als de matige van Victor Vroomkoning, zowel de gevoelige van Willem van Toorn als de al te eenvoudige van Hester Knibbe, zowel de lieve van Leo Vroman als de slappe van Hans Warren. Allemaal dichters die benieuwd zijn 'naar wat er kan ontstaan uit de fusie van gevoel en intelligentie' maar helaas maar zeer ten dele dichters die daar iets bijzonders van weten te maken.

Gelukkig staan in het zomernummer weer veel prachtige poezie-vertalingen, zoals het gedicht 'September' van I. F. Annenski, of 'Leningrad' van Osip Mandelstam of een buitengewoon vernuftig vrije herdichting van een gedicht van Raymond Queneau door W. Hogendoorn:

Un train qui siffle melod' Ieusement c'est pour une ode Un train qui siffle comme un sansonnet C'est bien un sujet de sonnet

wat in het Nederlands, geheel onverwacht, oplevert:

Een trein die fluit als een jongen wordt er- Door geschikt voor de Mei van Gorter Een trein die fluit als een leeuwerik Brengt vast en zeker een limerick.

Opwekkend.

Evenals de zorgvuldige vertaling van Witold Gombrowicz' verhaal 'Memoires van Stefan Czarniecki' met de heerlijke eerste zin; 'Ik ben geboren en getogen in een huis vol achtenswaardigheid.' Gevolgd door de heerlijke tweede zin: 'Met ontroering snel ik je in gedachten tegemoet, mijn jeugd!' Het verhaal werd al eerder door Paul Beers uit het Frans vertaald, nu doet Frans Jong het nog eens rechtstreeks uit het Pools. Een noot meldt terecht dat de verschillen tussen beide teksten 'minder ingrijpend zijn dan men zou verwachten'.

Wie probeert zich niet te veel te ergeren aan de wijsheden van Willem Berend H. ('een geluk dat de wereld rond is/ anders zou alle ellende/ in een hoek/ terechtkomen') opgeschreven in wat de redactie 'geslaagde kalligrafische vormgeving' noemt, kan veel moois vinden in dit lustrumnummer.

De Tweede Ronde, jrg.11, nr.2; Uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 192blz. Prijs: fl.12,50.