Grote vaderlandse oorlog kende slechts Russen

Het Russische ministerie van onderwijs heeft 15 duizend roebel beschikbaar gesteld om de rondreizende tentoonstelling 'The World of Anne Frank', die in de afgelopen jaren in 130 steden te zien was, in deze zomermaanden ook aan de Moskovieten te vertonen. Een doorbraakje: het is de eerste keer dat Moskou officieel toestaat aandacht te besteden aan het lot van joden in de Tweede Wereldoorlog.

In de Sovjet-literatuur werd tot op heden het specifieke lot van de joden tijdens de laatste wereldoorlog verzwegen, gebagatelliseerd of gegeneraliseerd. Alles werd in het werk gesteld om de herinnering aan de genocide op ongeveer twee miljoen joden, die tussen 1941 en 1945 tijdens de 'Grote Vaderlandse Oorlog' werden geexecuteerd of vergast, uit het geheugen van joden en niet-joden weg te vagen.

Voorzover ik kan overzien, werd in de afgelopen veertig jaar in de Sovjet-Unie niet een boek over de Holocaust gepubliceerd. In de Sovjet-literatuur komt trouwens het woord 'Holocaust' (totale verbranding) helemaal niet voor. Terwijl in West-Europa, Amerika en Israel de Holocaust voorwerp werd van wetenschappelijk onderzoek, hadden de Russen voldoende aan de volgende simpele verklaring van de dood van 20 miljoen burgers van de Sovjet-Unie in het algemeen: Het was een natuurlijke consequentie van het racistische fascisme, dat Russen, Oekrainers, zigeuners, joden en anderen werden vermoord. Het fascisme was op zijn beurt de slechtste vrucht aan de boom van het kapitalisme.

In 1944 zijn I. Ehrenburg en V. Grossman klaar met hun zwartboek van de jodenvervolging in de Sovjet-Unie: twaalfhonderd getypte vellen, waarop zij gedocumenteerd de geschiedenis van de vervolging van ongeveer een miljoen joden tijdens de 'Grote Vaderlandse Oorlog' hebben beschreven. Het manuscript wordt in 1946 gedrukt, maar geen enkel exemplaar komt in de winkel te liggen. Alle exemplaren van dit historisch werk komen niet verder dan de pakhuizen van grote warenhuizen, en worden in 1948 vernietigd. Ook het zetwerk wordt aan de vlammen prijsgegeven ' geen enkele Sovjet-burger krijgt het boek in handen.

Een exemplaar, dat naar het buitenland is gestuurd, blijft over. Een Engelse editie van dit werk verschijnt in 1980 te New York: Holocaust Library, en een Jiddische editie wordt in 1981 door Yad Vashem te Jeruzalem op de markt gebracht.

De Holocaust van een miljoen joden wordt niet ontkend, maar men spreekt slechts in het algemeen over 20 miljoen slachtoffers van de oorlog tegen Hitler. Terwijl het Sonderkommando van de nazi's de joden een 'speciale behandeling' gaf, suggereert men in de Sovjet-Unie dat joden op dezelfde wijze als alle anderen om het leven zijn gekomen.

In de zesdelige, officiele uitgave van de 'Grote Vaderlandse Oorlog' (Isto riia velikoi otechestvennoi voine Sovetskogo Soiuza 1941-1945, Moskou 1962-1965) wordt met geen woord gerept over het lot van een miljoen joden. In de index van dit grote standaardwerk zoekt men tevergeefs naar de woorden 'jood' (die niet alleen in Der Sturmer van Julius Streicher, maar ook in Sovjet-publikaties als een absolute schurk werd afgeschilderd: hij was Satan, Judas, Lucifer, de belangrijkste verrader, de belichaming van al het kwaad), 'antisemitisme' en 'Holocaust'. Als in het derde deel uitvoerig over de bezetting en terreur van de 'Einsatzgruppen' in de Oekraine en andere delen van de Sovjet-Unie wordt gesproken, wordt nergens vermeld dat tienduizenden joden door Sonderkommando's als ongedierte werden verdelgd.

In talrijke steden en dorpen was de plaatselijke politie en de bevolking actief betrokken bij de weerzinwekkende uitroeiing, die talrijke geestelijken in hun zondagse preken ook nog legitimeerden. Hetzelfde moeten we zeggen van het wetenschappelijk werk van Y. Kondoefor (en anderen), Istoriia Ukrainskoi SSR, Kiew 1982, waarin de geschiedenis van de Oekraine wordt beschreven. Ondanks het feit dat joden al eeuwen in dit land leven en een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de economie en de cultuur, worden ze niet eens genoemd. De genocide op enkele honderdduizenden joden in de Oekraine wordt zelfs niet in een voetnoot vermeld. Alleen in het werk van L. N. Lentzmann (en anderen), Estonskii narod v velikoi otechestvennoi voine Sovetskogo Soiuza 1941-1945, Tallin 1973, wordt uitvoerig aandacht besteed aan de uitroeiing van de joden in Estland.

Viktor Afanasiev, hoogleraar in Moskou, merkt in april 1988 op dat de 'historiografie van geen enkel land ter wereld zo is vervalst als die van de Sovjet-Unie'.

Ook Michail Gorbatsjov heeft de laatste jaren verschillende keren over vervalsing van de geschiedenis van zijn land gesproken. In juni 1986 vertelt hij aan een groep vooraanstaande schrijvers dat een van de zaken die nog buiten de grenzen van de glasnost vallen, het Sovjet-verleden is: 'Wanneer we een debat over het verleden beginnen, zullen we al onze energie verspillen. We zouden het volk daarmee voor het hoofd stoten. We moeten voorwaarts gaan. Uiteindelijk zullen we het verleden ordenen en alles op zijn plaats zetten. Maar op dit moment moeten we onze energie voorwaarts richten.' In februari 1987 schijnt Gorbatsjov echter al tot de slotsom te zijn gekomen, dat ook historici aan enige glasnost behoefte hebben. In een toespraak tot leidende vertegenwoordigers van de Sovjet-media zegt hij: 'Het is immoreel om te vergeten. Er zouden geen vergeten namen of witte plekken in de geschiedenis of de literatuur moeten voorkomen.'

Maar Gorbatsjovs gewetenswroeging wordt niet gedeeld door het merendeel van zijn collega's in het politburo: zij geloven heilig in het principe het verleden toch maar vooral het verleden te laten. Anders dan bij enkele helden van Shakespeare wordt hun nachtrust niet verstoord door schaduwen uit vroeger tijden. Zij zien grote gevaren opdoemen, als de sluisdeuren naar de historische waarheid worden geopend.

De felste tegenstand ondervindt Gorbatsjov van historici zelf. Toen Pavel Voloboejov, op een bijkeenkomst van de Academie van Wetenschappen in 1987 enige zeer milde kritiek op de Sovjet-historiografie uitte, kreeg hij vrijwel geen bijval. Tichvinski, secretaris van de afdeling geschiedenis van de Academie, zei: 'We moeten niet toestaan dat onze historische wetenschap onder het mom van de perestrojka in haar geheel naar beneden wordt gehaald.'

Hun belangrijkste argument om glasnost niet op het verleden toe te passen is: in elke opening van deze doos van Pandora ligt een eenzijdige concentratie op de negatieve aspecten van de Sovjet-geschiedenis besloten, die daardoor op een aaneenschakeling van rampen zal gaan lijken.

In The Soviet Cage, New York 1973, doet Willem Korey een uitgebreid onderzoek naar geschiedenisboeken, die in de Sovjet-Unie in het onderwijs worden gebruikt. In geen enkel handboek komt de geschiedenis van de jodenvervolging in het Rusland van de negentiende en twintigste eeuw ook maar terloops ter sprake. Leerlingen moeten wel de indruk krijgen dat er in de Sovjet-Unie vroeger nooit joden hebben gewoond. In een van deze handboeken worden dertig pagina's besteed aan de geschiedenis van de 'Grote Vaderlandse Oorlog' (1941-1945), zonder dat het onderwerp van de jodenvervolging zelfs maar wordt genoemd.

In het museum van Minsk is de geschiedenis van de 'Grote Vaderlandse Oorlog' in beeld gebracht. Ondanks het getuigenis van haar oom en van vele anderen wordt de zeventienjarige joodse verzetsstrijdster Masja Broeskina, die door het Sonderkommando werd opgehangen, in de tentoonstelling een 'onbekende verzetsstrijdster' genoemd. Tot op heden weigeren de Sovjet-autoriteiten te erkennen wie deze 'onbekende verzetsstrijdster' is.

Ondanks het feit dat vele Russische joden zich in genoemde oorlog heroisch hebben gedragen, blijkt niet alleen in het museum te Minsk maar ook uit talrijke publikaties zoals het driedelige populaire werk van S. S. Smirnov, Sobranie Sochinenii: tom pervye. Brestkaia Krepost, Krepost nad Bugom (Moskou 1973) dat Sovjet-autoriteiten weigeren hierover openheid te verschaffen. Lev Ovisjtsjer schreef onlangs: 'Vooral deze weigering verklaart waarom veel joden er diep van overtuigd zijn dat zij het land zo snel mogelijk moeten verlaten.' Ook uit de meer dan vijfentwintig jaar durende controverse over het gedenkteken te Babi Jar (Kiev) wordt duidelijk dat het lot van de joden stelselmatig wordt verzwegen. Enkele weken na de Duitse invasie in 1941 worden in de Oekraiense stad Kiev tussen Rosj-Hasjana (joods nieuwjaar) en Jom Kippoer (Grote Verzoendag) vijftig- tot tachtigduizend joden geexecuteerd. Zij worden naar de voorstad Podol gebracht, waar het ravijn van Babi Jar hun als massagraf dient. Zes dagen lang worden mannen, vrouwen en kinderen bij hele colonnes naakt op een rij gezet en door een Sonderkommando met medewerking van de plaatselijke militie van dichtbij neergeschoten.

De massaslachting speelt zich af voor de ogen van de inwoners van Kiev, die niets doen als de eindeloze stoet joden voorbijtrekt en de aarde zich opent om hen te verslinden. Sinds de Sovjet-campagne (1948/1949) tegen de joden, die van kosmopolitisme en verraad worden beschuldigd, wordt alles in het werk gesteld om elke herinnering aan Babi Jar uit te bannen. Alles wat een bijdrage zou kunnen zijn voor de ontwikkeling van het joodse zelfbewustzijn, wordt radicaal bestreden. Ook na de dood van Stalin komt hierin geen verandering.

Als plannen worden gemaakt om op het massagraf een sportstadion te bouwen, doet op 10 oktober 1959 de schrijver Viktor Nekrasov in de Literatoernaja Gazeta een hartstochtelijk beroep op het Sovjet-regime tot het oprichten van een gedenkteken te Babi Jar. In hetzelfde tijdschrift publiceert Jevgeni Jevtoesjenko 19 september 1961 zijn gedicht 'Babi Jar', waarin de schrijver de Sovjet-leiders aanklaagt, omdat zij weigeren het martelaarschap van de joden te erkennen.

In 1962 verwerkt Dmitri Sjostakovitsj het gedicht 'Babi Jar' op aangrijpende wijze in zijn dertiende symfonie. De publikaties van Nekrasov en Jevtoesjenko en de dertiende symphonie van Sjostakovitsj veroorzaken veel tumult in de Sovjet-pers, en 8 maart 1963 schrijft premier Nikita Chroesjtsjov in de Pravda dat tijdens de 'Grote Vaderlandse Oorlog' geen sprake is geweest van een specifiek joods martelaarschap: joden werden niet vermoord omdat zij joden waren.

Eenzelfde tumult ontstaat in de pers als in 1966 Anatoli Koeznetsov zijn novelle 'Babi Jar' publiceert en in 1978 van Anatoli Rybakov een boek verschijnt waarin het lot van de joden in de Sovjet-Unie tussen 1941 en 1945 centraal staat. Uiteindelijk wordt in 1975 te Babi Jar toch een gedenkteken geplaatst 'ter nagedachtenis aan Russische burgers, door de fascisten vermoord'.

Tot verbijstering en verontwaardiging van joden in de Sovjet-Unie en in de hele wereld komt het woord 'joden' in de inscriptie helemaal niet voor. Elie Wiesel barstte in augustus 1979 toen hij, als voorzitter van de presidentiele commissie voor de Holocaust, Babi Jar bezocht in woede uit en zei tegen burgemeester en wethouders van Kiev: 'U weet heel goed dat de mannen, vrouwen en kinderen die in dit massagraf liggen, vermoord werden enkel en alleen omdat zij joden waren. Wat geeft u het recht om hen van hun joodse identiteit te beroven?' Dit zijn slechts enkele voorbeelden om te illustreren dat in de Sovjet- Unie het lot van de joden tijdens de 'Grote Vaderlandse Oorlog' inallerlei geschriften, in musea en op gedenktekens wordt verzwegen. In de negentiende en twintigste eeuw was het beleid van verscheidene Russische leiders er dikwijls op gericht geweest om van joden in meer of mindere mate Sovjet-burgers te maken. Maar als voorwaarde werd meestal gesteld dat zij hun verfoeilijke religie (vooral het Talmud-jodendom) prijsgaven. Ze moesten hun jood-zijn opofferen.

Welnu, het nadruk leggen op het lijden en het martelaarschap van de joden tijdens de 'Grote Vaderlandse Oorlog' zou zeker een sterk joods zelfbewustzijn wekken met alle gevolgen van dien: de joden zouden opnieuw 'staat in een staat' kunnen vormen. Dat verklaart ten dele de hardnekkigheid waarmee de autoriteiten zwijgen over de Holocaust van de joden.

Het is maar de vraag of veel joden in de Sovjet-Unie de tentoonstelling 'The World of Anne Frank' in Moskou ervaren als een doorbraak in het officiele beleid. Voorlopig lijkt het er niet erg op. Het Israelische consulaat in Moskou verwerkt momenteel een lange reeks uitnodigingen voor joden die de Sovjet-Unie wensen te verlaten. Sovjet-joden zwaaien meer dan wie ook lof toe aan vernieuwers als Michail Gorbatsjov, maar zij hebben tegelijkertijd meer dan een reden om het Westen te waarschuwen voor een te grote euforie over de glasnost.