De mythe van de innerlijke drijfveer

Psychologische theorieen die gedrag verklaren door mensen innerlijke toestanden toe te schrijven, zijn gemakzuchtig en verkwistend. De vorige week overleden psycholoog B. F. Skinner verklaarde wat we doen en laten uit ons verleden en 'de toestand van de wereld'.'Gedrag wordt gevormd en in stand gehouden door zijn gevolgen.' Deze stelling vormt een summiere samenvatting van het soort psychologie dat 'radicaal behaviorisme' genoemd wordt. De grondlegger van deze psychologische denkrichting was de Amerikaanse psycholoog Burrhus Frederic Skinner, die op 19 augustus op 86-jarige leeftijd overleed. De psychologie verliest in hem zijn meest invloedrijke, maar ook zijn meest controversiele beoefenaar.

Het behaviorisme is niet een uniforme stroming in de psychologie, maar veeleer een methodologie, een manier van benaderen van het onderwerp van studie. Wat behavioristen gemeen hebben is hun weerzin tegen wat zij noemen mentalistische verklaringen van menselijk gedrag, verklaringen die de determinanten van gedrag zoeken in innerlijke toestanden van het organisme, in behoeften, wensen, strevingen en gevoelens. Zij maken bezwaar tegen dergelijke 'mentalistische' verklaringen omdat zij geen werkelijke verklaringen vormen. Zij laten immers de vraag open waar dergelijke innerlijke toestanden zo zij al bestaan vandaan komen. Wanneer wij zeggen dat wij een behoeftig medemens helpen uit mededogen, dan blijft de vraag waar dat mededogen een tijdelijke opwelling of een permanent kenmerk van onze persoon dan vandaan komt. Zolang daarover niets gezegd is, is er niets verklaard. Psychologische theorieen die gedrag verklaren door mensen ongelimiteerd persoonlijke kenmerken en innerlijke toestanden toe te schrijven, zijn gemakzuchtig en verkwistend. Zij schenden het methodologische beginsel van de spaarzaamheid, dat voorschrijft dat wetenschappelijke theorieen die zo min mogelijk en zo eenvoudig mogelijke assumpties over het object van studie maken, de voorkeur verdienen boven minder spaarzame theorieen. Psychologen hebben er een handje van om het spaarzaamheidsbeginsel met voeten te treden. Tegen die slechte gewoonte kwamen en komen behavioristen in het geweer.

Behavioristen menen dat wat wij doen (een combinatie van) drie oorzaken heeft: (a) onze genetische constitutie, (b) onze persoonlijke leergeschiedenis, en (c) de toestand van de wereld de daar heersende 'contingenties' op het moment van handelen. Onze innerlijke toestanden zijn slechts bijverschijnselen, die de toestand van ons lichaam weerspiegelen en waarover wij op conventionele wijze hebben leren spreken. De werkelijke oorzaken van ons gedrag liggen in ons verleden en de momentane toestand van de wereld. Door een leergeschiedenis waarin wij de consequenties van ons handelen hebben leren kennen, weten wij wat wij moeten doen om onaangename en zelfs levensbedreigende gevolgen te vermijden en aangename en nuttige gevolgen uit te lokken. 'Gedrag wordt gevormd en in stand gehouden door zijn gevolgen.'

Gedragstechnologie

Wie gedrag van anderen (en zichzelf) wil veranderen, omdat de gevolgen ervan onwenselijk worden geacht, kan beter niet proberen 'to change minds' of, zoals dat tegenwoordig bij voorkeur genoemd wordt, een 'mentaliteitsverandering' te bewerkstelligen. Hij kan zijn aandacht beter richten op de omgevingscontingenties die dat gedrag uitlokken. Skinner was van mening dat wij de mogelijkheden om gedrag te veranderen door het veranderen van omgevingscontingenties onvoldoende gebruiken. Wij beklagen ons over het asociale gedrag van mensen, over criminaliteit en de slechte leerresultaten van onze kinderen, maar weigeren de behavioristische gedragstechnologie, die bestaat uit het doelbewust manipuleren van omgevingscontingenties, aan te wenden. In plaats daarvan geven wij er de voorkeur aan te blijven roepen om een magische mentaliteitsverandering die onze problemen moet oplossen. Onze wens om te blijven geloven aan de fictie van een innerlijk dat autonoom onze daden bepaalt, sluit ons af van de mogelijkheid om doelbewust een cultuur te ontwerpen, die ons bestaan wat minder miserabel en misschien zelfs gelukkig zou kunnen maken.

Skinners twee belangrijkste boeken handelen over de mogelijkheid om doelbewust een goedaardiger cultuur te ontwerpen dan die waarin wij thans leven. Het eerste daarvan is de in 1948 verschenen utopische roman Walden Two, waarin hij een leefgemeenschap beschrijft die is ontworpen op grond van een behavioristische gedragstechnologie en waar 'aversieve gedragscontrole', dat wil zeggen controle met behulp van straf en strafdreiging, niet voorkomt en waar ieder doet wat van hem of haar verwacht wordt omdat dat het enige is dat in de gegeven, zorgvuldig ontworpen, omstandigheden lonend is. Het in 1971 verschenen Beyond Freedom and Dignity geeft van die constructie de theoretische grondslagen. Beide boeken werden bestsellers, niet omdat zij algemene bijval verwierven, maar omdat zij voor een groter publiek dan alleen vakgenoten toegankelijk waren en een gemakkelijk doelwit vormden voor de agressie tegen al die eigenwijze psychologen die menen dat aan de menselijke conditie het een en ander te verbeteren valt.

Totalitaire neigingen

Deze en andere geschriften maakten Skinner spoedig tot de meest controversiele en verguisde psycholoog van zijn tijd. Het publiek verdacht hem van fascistoide en totalitaire neigingen. Maar ook vele vakgenoten keerden zich tegen hem. Omdat Skinner bij zijn onderzoek dikwijls werkte met dieren, werd hem verweten dat hij het verschil tussen mens en dier achteloos over het hoofd zag. Maar Skinner generaliseerde geenszins zonder meer van de ene naar de andere diersoort. Het was hem natuurlijk niet ontgaan dat de gedragsrepertoires van verschillende soorten verschillen, hij beweerde slechts dat een groot deel van de wetten van het operante leren, dat wil zeggen leren door het observeren van de gevolgen van gedrag, dezelfde zijn voor alle gewervelde dieren. Een gematigder verwijt houdt in, dat de wetten van het operante leren weliswaar gelden, maar dat zij slechts van toepassing zijn op een klein en weinig interessant deel van het menselijke gedrag. Het alternatief voor operant gedrag is 'intelligent' gedrag, gedrag dat door het volgen van regels en delibereren tot stand komt. De vraag waar het nu om gaat is, welk deel van ons gedrag operant is en welk deel intelligent. Het antwoord op die vraag wordt bemoeilijkt door de eigenaardigheid van mensen om voor al hun gedrag, hoe ondoordacht ook, rationaliseringen te geven. Soms weten wij heel goed dat dergelijke verklaringen verzonnen zijn, maar dikwijls realiseren wij ons dat ook niet. Mensen hebben geleerd om hun gedrag te verklaren in termen van innerlijke drijfveren, waarvan zij het bestaan voetstoots aannemen omdat immers iedereen er zo over praat.

Sinds het uitbreken van de 'cognitieve revolutie' in de psychologie, die de aandacht van psychologen vrijwel uitsluitend richt op wat er in hoofden van mensen omgaat, is het tot de goede toon gaan behoren om de studie van dikwijls alledaags gedrag te zien als een overblijfsel uit het verleden en de behavioristische methodologie als een primitief instrument van een voorbije generatie. Die houding getuigt van beperkt historisch inzicht of overmatige gevoeligheid voor de mode van de dag. Zij is in ieder geval niet zoals Skinners bijna even fameuze tijdgenoot Donald Hebb nog in 1980 opmerkt, 'a mark of scholarship'.

Literaire ambities

B. F. Skinner werd in 1904 geboren in Susquehanna, een klein stadje in het noordoosten van Pennsylvania. In zijn jeugd, die hij gedetailleerd beschreef in het eerste deel van zijn driedelige autobiografie, viel hij niet op door bijzondere intellectuele prestaties. Hij bezocht een weinig prestigieus college, waar hij Engels als hoofdvak koos. Skinner had literaire ambities en na het behalen van het diploma bracht hij twee jaren door als beroepsschrijver. Afgezien van enkele kranteartikelen publiceert hij niets, eenvoudig omdat hij, zoals hij zelf opmerkte, niets belangrijks te zeggen had.

Zijn mislukking als literator onder ogen ziend besloot hij in 1928 psychologie te gaan studeren aan de Harvard Universiteit. Onder leiding van de fysioloog W. J. Crozier ontwikkelde hij zich daar tot een briljant experimentator met dieren. Na zijn doctoraat in 1931 stelde een Harvard Fellowship een uitverkiezing hem in staat om nog vijf jaar aan Harvard te blijven werken. De resultaten van zijn werk daar rapporteerde hij in 1938 in zijn eerste grote boek, The Behavior of Organisms. Toen dat boek verscheen had hij Harvard al verlaten en leefde hij 'in ballingschap', eerst aan de Universiteit van Minnesota en vervolgens aan de Universiteit van Indiana. In die periode werkte Skinner langdurig aan zijn tweede belangrijke boek, Verbal Behavior, dat pas in 1957 verscheen. Daarin probeerde hij aan te tonen dat de (moeder)taal geleerd wordt met behulp van operante mechanismen, een stelling die hem kwam te staan op een harde terechtwijzing van de toen leidende linguist Noam Chomsky.

In 1948 vraagt de Harvard Universiteit Skinner om terug te keren als hoogleraar, een functie die hij tot zijn emeritaat zou blijven vervullen. Terwijl zijn ster, ook internationaal, pijlsnel rijst, groeit ook de controverse rond zijn werk en persoon. Hij reist de wereld rond, her en der voordrachten gevend, ontvangt eredoctoraten en andere onderscheidingen, wordt geinterviewd door de media en verschijnt met een zekere regelmaat in praatprogramma's. Hij is een publieke figuur geworden, interessant maar verguisd. Maar een popwetenschapper wordt hij niet, daar is hij eenvoudig een te stijve en schutterige man voor. De aardigste passages in zijn autobiografie gaan over zijn pogingen om te voorkomen dat hij aan zijn rol van beroemdheid te gronde gaat.

Behalve stijf en gesloten was Skinner ook naief. Uit zijn autobiografie blijkt dat hij tegen andere mensen dikwijls niet opgewassen was. Het in universitaire kring, dus ook in Harvard, gebruikelijk onderlinge gecomplotteer ontging hem volledig en zakenlieden die geld wilden slaan uit door hem ontworpen apparaten de 'Skinner-box', een apparaat voor dierproeven, een couveuse voor kinderen en de leermachine namen hem herhaaldelijk in de maling. Ondanks zijn sociale en zakelijke onhandigheden bleef zijn publieke reputatie stijgen. In zijn autobiografie inspireert dat hem nauwelijks tot ijdelheid; hij lijkt er veeleer onthutst door. Het in autobiografieen onvermijdelijke names dropping praktiseert Skinner met mate en als hij zich er al aan overgeeft, zoals ter gelegenheid van zijn ontvangst door de Royal Society in Londen, dan is het om zich rood van schaamte de flaters te herinneren, die hij daar in illuster gezelschap sloeg. Ondanks zijn wetenschappelijke roem en de publieke belangstelling lijkt Skinner zijn leven lang een provinciaal gebleven, de man uit de negorij Susquehanna. De opwinding rond zijn persoon leek hij nooit helemaal te begrijpen. Al evenmin begreep hij waarom zijn vakgenoten niet naar hem luisterden. Daarover schreef hij tot kort voor zijn dood boze stukken in het tijdschrift dat alle Amerikaanse en ook veel buitenlandse psychologen maandelijks lezen, de American Psychologist.

Fobieen

Sommigen zullen menen dat het overlijden van Skinner het definitieve einde van het behaviorisme markeert. Die gedachte lijkt mij een produkt van wensdenken. In de Verenigde Staten en ook daarbuiten zijn er nog steeds vele psychologen die in de behavioristische traditie werken, onderzoekers maar vooral ook toegepast werkende psychologen. De op het behaviorisme gebaseerde gedragstherapie is de enige vorm van therapie die bij fobieen in ons land een volksziekte op resultaat kan bogen. Zie ik het goed, dan is zelfs in de dominante cognitivistisch-psychologische cultuur sinds enige tijd een kentering waarneembaar. Ook onder theoretici lijkt de reserve tegen de steeds grotesker wordende cognitieve modellen te groeien (voor insiders verwijs ik bij wijze van voorbeeld naar het artikel van Watkins in de American Psychologist van maart van dit jaar). Want waar gaat de psychologie nu eigenlijk over: geest wat men daar dan ook onder verstaat of gedrag? Dit dilemma vormt sinds lang onderwerp van een controverse onder psychologen. Zelfs wie daarbij niet kiezen wil, zal van gedrag als onderwerp van studie wel niet geheel af willen zien. En daarom is het werk van Skinner niet alleen nog steeds van het grootste belang, maar zelfs nu al klassiek te noemen. De drie delen van Skinners autobiografie zijn alle verschenen bij Alfred Knopf in New York. Achtereenvolgens: Particulars of My Life (1976), The Shaping of a Behaviorist (1979), A Matter of Consequences (1983). Andere titels: The Behavior of Organisms. New York: Appleton Century Crofts, 1938Walden Two. New York: MacMillan, 1948Verbal Behavior. New York: Appleton Century Crofts, 1961. Beyond Freedom and Dignity. New York: Alfred Knopf, 1971 (ook als Penguin-uitgave beschikbaar)In het Nederlands: Over Gedrag. Meppel: Boom, 1983