Agroforestry

Milieu, tijdschrift voor milieukunde. Jaargang 5 nummer 4. Thema: milieu en ontwikkeling. Verschijnt zes maal per jaar bij Uitgeverij Boom in Meppel. Abonnementen: fl.66, - (studenten f. 39, - instellingen fl.98, -) Losse nummers f.11, -)Vijf jaar geleden is de milieutijdschriftenmarkt verrijkt met Milieu, tijdschrift voor milieukunde. In tegenstelling tot de milieupublieksbladen (zoals 'Natuurmonumenten', 'Milieudefensie' of 'Natuur en Milieu'), is het een echt wetenschappelijk tijdschrift: het rapporteert over origineel wetenschappelijk onderzoek en het ziet er verzorgd maar saai uit (weinig illustraties, geen foto's). Anders dan in de sectorale tijdschriften ligt de nadruk op de interdisciplinaire milieukunde. Het blad wil de natuur- en een sociaal-wetenschappelijke milieukunde integreren.

Het artikel over 'Milieuplanning in ontwikkelingslanden' is daarvan een illustratie. In de ontwikkelingssamenwerking groeit de aandacht voor het milieu. (Minister Pronk wil de post milieu laten stijgen van van 50 miljoen in 1990 tot 275 miljoen in 1995 HD). Daarvoor zijn nieuwe beleidsinstrumenten ontwikkeld zoals milieuprofielen en milieuplannen. Drie onderzoekers van het Leidse Centrum voor Milieukunde hebben zes van deze beleidsdocumenten geevalueerd. Ze blijken een sterk natuurwetenschappelijke inslag te hebben en geven de toestand van het milieu goed weer. Maar ze schieten tekort in de analyse van de oorzaken of blijven steken in algemeenheden als bevolkingsgroei, migratie of gebrek aan planning. Het feitelijk milieugedrag van de verschillende actoren, dat bepaald wordt door zaken als eigendoms- en gebruiksrechten, machtsrelaties, gedragsalternatieven en percepties ten aanzien van natuur en milieu wordt onvoldoende verklaard. Dat leidt tot 'een overmatig technisch karakter van de aangedragen oplossingen' (wetten, regels, voorlichting, instituties). Bestaande wetgeving blijkt vaak niet te functioneren, de fundamentele oorzaken van milieudegradatie worden niet aangepakt en er wordt verzuimd te bekijken hoe de participatie van de lokale bevolking bevorderd kan worden. Als die niet meewerkt, komt er van alle mooie plannen niet veel terecht. Onvoldoende kennis van de sociale context wreekte zich bij het milieuplan voor het Indonesische eiland Siberut. Het plan, opgesteld door het Wereldnatuurfonds, was gericht op verbetering van het bestaan van de lokale bevolking die traditioneel in harmonie met de natuur leeft en het behoud van ongerept oerwoud met vier apesoorten. Het plan voorzag in een zonering van het eiland: een natuurreservaat met daaromheen een traditionele gebruikszone waar de lokale bevolking rotan en hout mag verzamelen en traditionele jacht mag bedrijven. In de rest, het grootste deel van het eiland, was selectieve houtkap en moderne landbouw toegestaan.

Het idee om natuurbehoud, traditionele exploitatie van het regenwoud en commerciele houtkap te laten coexisteren, bleek niet te werken. De plannenmakers hadden te weinig rekening gehouden met 'de grote verschillen in macht tussen de lokale bevolking en de houtkapmaatschappijen, met de verschillen in belangen van de diverse Indonesische departementen'. Bij navraag bleek dat deze tamelijk abstracte conclusie concreet betekent dat de lokale bevolking het niet kon bolwerken tegen de houtkapmaatschappijen en dat de afdeling Natuurbeheer het moest afleggen tegen de ministeries van Bosbouw, Landbouw, Defensie en Transmigratie, die 'moderne ontwikkeling' willen.

De interdisciplinaire aanpak komt ook goed tot uitdrukking in een artikel over 'ontbossing en broeikaseffect' van twee medewerkers van het Rijksinstituut voor Volksgezonheid en Milieuhygiene. Met het daar ontwikkelde Integrated Model for the Assessment of the Greenhouse Effect (IMAGE) hebben zij op basis van vier scenario's de gevolgen van ontbossing in de tropen berekend. Die bijdrage blijkt aanzienlijk te zijn, maar tijdelijk en beperkt ten opzichte van fossiele brandstoffen. De auteurs geven blijk van een goed inzicht in de maatschappelijke achtergronden van ontbossing. Het tegengaan van ontbossing vinden de auteurs vooral om andere redenen dan het broeikaseffect belangrijk (biologische diversiteit, erosie, inheemse volkeren, lokaal en regionaal klimaat). Daarnaast moet de produktiviteit van bestaande landbouwgronden duurzaam en milieuvriendelijk worden opgevoerd. Herbebossing moet vooral voorzien in de behoeften van de plaatselijke bevolking en ook in de gematigde streken is grootschalige herbebossing nodig op uit produktie genomen landbouwgronden.

Het artikel over 'agroforestry in de Sahel' bevat een goede waarschuwing aan het adres van ontwikkelingsdeskundigen met een sociaal-wetenschappelijke achtergrond, die niet gehinderd door natuurwetenschappelijke kennis te snel aardige ideeen in praktijk willen brengen zoals Paul Harrison, schrijver van het optimistische The Greening of Africa. Agroforestry, een combinatie van meerjarige houtige gewassen met akkerbouw en/of veeteelt, doet het aardig in de natte tropen, maar blijkt in semi-aride streken meer problemen op te leveren ook al kwamen dergelijke systemen daar vroeger voor. Zo verwachten velen (Paul Harrison er een van) wonderen van de Acacia albida. Die kwam altijd al in de Sahel voor en kan als leguminose stikstof uit de lucht binden en brandhout leveren. Vanwege gebrek aan water en fosfor, beide schaars in de Sahel, blijkt de feitelijke stikstofbinding echter zeer gering te zijn. In combinatie met vee doet de boom het wel aardig: het vee eet boomvruchten en bladeren, rust in de schaduw van de boom en bemest de omgeving. Niet de stikstofbinding zorgt dus voor hogere gierstopbrengsten vlakbij een acacia, maar de mest. Ook de twee andere artikelen over 'lage-investeringslandbouw' en de 'omzetting van schulden in natuurbehoud' zijn het lezen waard. Net als de andere drie verschaffen zij in een toegankelijke, maar wetenschappelijk-afstandelijke stijl nuttige informatie, die pessimisten kan opbeuren en al te groot optimisme van wereldverbeteraars kan temperen.