Het domein van architect Le Corbusier, schepper van eeuwige schoonheid; Sober geluk in de blokhut

Vandaag is het precies 25 jaar geleden dat de wereldberoemde architect Le Corbusier op 77-jarige leeftijd aan een hartaanval overlijdt. Dat gebeurt op 27 augustus 1965 om elf uur 's morgens, bij het zwemmen in de Middellandse Zee voor de kust van Roquebrune Cap Martin (Zuid-Frankrijk), waar hij een eenvoudige hut (cabanon) bewoont.

Le Corbusier (geboren op 6 oktober 1887 in Zwitserland als Charles Edouard Jeanneret-Gris) is o.a. bekend als ontwerper van de Villa Savoye in Poissy (1929-1931), het Pavillon Suisse van de Cite Universitaire in Parijs (1930-1933), de Unite d'habitation in Marseille (1947-1952) en vooral de kapel van Notre-Dame-du-Haut in Ronchamp (1950-1954). Zijn originele visie op architectuur en stedebouw, met begrippen als de woonmachine (la machine a habiter, 1922) en de stralende stad (la ville radieuse, 1938) en de door hem ontwikkelde matenreeks (Le Modulor, 1949) hebben een onuitwisbare bijdrage geleverd aan de vormgeving van twintigste-eeuwse gebouwen en stadsuitbreidingen.

De beroemde meubels die hij ontworpen heeft, zoals de met koehuid beklede 'Chaise longue' uit 1929, en de robuuste vierkante fauteuils met verchroomde buizen ('Grand comfort', 1928), zijn waanzinnig populair.

Graf

Hoe woonde Le Corbusier, bedenker van eeuwige schoonheid in beton, staal, glas, chroom en leer, eigenlijk zelf? Het domein van de kunstenaar, de cabanon, behoort samen met zijn zelf ontworpen graf tot de bezienswaardigheden van Roquebrune Cap Martin. Een foto van Le Corbusier, hangend uit het raam van zijn cabanon, en een kleurenfoto van zijn graf prijken in de plaatselijke toeristenfolder.

Via het gemeentelijk toeristenbureau is de cabanon tweemaal per week te bezichtigen. We maken een afspraak voor dinsdag om vijf uur 's middags. De groep belangstellenden is gelukkig klein: behalve Carletta en ik alleen een dame uit Turijn met twee ongeinteresseerde dikke kinderen en een takshond.

Le Corbusiers liefste plek op aarde ligt aan de Avenue Le Corbusier, in het verlengde van de Promenade Le Corbusier, op de rotskust in het zuiden van Roquebrune Cap Martin, met een schitterend uitzicht op de Middellandse Zee en de baai van Monaco.

Villa

Hij ontdekte de plek in de jaren dertig als gast van Jean Badovici, de uitgever van zijn eerste publikaties. Deze heeft daar samen met Eileen Gray rond 1927 voor zichzelf een villa gebouwd met de prozaische naam E 1027 (volgens mij het kadastrale nummer). Dit witte huis (Maison Blanche) is in de jaren dertig een bekende ontmoetingsplaats van de Parijse avant garde.

In 1949 installeert Corbusier zich met Jose-Luis Sert, Paul-Lester Wiener, William Ritter en een stel tekenaars in La Maison Blanche voor het maken van een stedebouwkundig plan voor Bogota. De maaltijden laten ze verzorgen door Thomas Rebutato, een voormalige loodgieter uit Nice, die zijn zaak heeft opgedoekt en van het geld hier het restaurant l'Etoile de mer heeft geopend. Tussen Le Corbusier en Rebutato groeit een intense vriendschap.

Roq en Rob

Om de klandizie te vergroten wil Rabutato wat kampeerhuisjes bouwen en vraagt aan Le Corbusier, die immers architect is, om een tekening te maken. Le Corbusier voelt daar wel wat voor. Het biedt hem gelegenheid te experimenteren met toepassingen van de modulor en met nieuwe constructietechnieken. De plannen gaan als Roq en Rob de geschiedenis in.

De realisatie van Roq en Rob wil echter niet zo erg vlotten. Rebutato heeft er intussen geen bezwaar tegen dat Le Corbusier, zijn beste klant, op het terrein voor zichzelf alvast een eenvoudig onderkomen laat bouwen.

Dit project voltrekt zich wel zeer voorspoedig: op 30 september 1951 maakt Le Corbusier de eerste schetsen. Tussen 25 juni en 19 juli 1952 worden op Corsica de bouwdelen vervaardigd. De montage in Roquebrune Cap Martin komt gereed op 5 augustus 1952 en Le Corbusier neemt er zijn intrek tot aan zijn dood in 1965. In 1987, ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag, heeft de gemeente de cabanon geheel gerestaureerd. Een nieuwe, eenvoudige betonnen trap leidt nu vanaf de weg naar een klein stukje vlak terrein.

Het eerst valt aan de linkerkant een kleine bouwkeet op. Het is de chambre de travail, een demontabele werkkamer die Le Corbusier later heeft toegevoegd. De noordgevel, naar de helling toe, is zwartgeverfd. De zijgevels zijn groen en de zuidgevel, met zicht op zee, is wit. Binnen zien we alleen een vlakke deur, die dienst doet als tekentafel, en twee ramen met uitzicht op zee.

Golfplaten

Een stukje verder, verscholen achter het groen, ligt de cabanon. Het uiterlijk is een verrassing: hij ziet er uit als een Canadese blokhut, bekleed met ronde ruwhouten planken en afgedekt met een flauw achteroverhellend dak van asbestcement golfplaten.

Als onze gids de voordeur openschuift valt op hoe zorgvuldig de schuifdeur, het eiken kozijn en het houten sluitwerk zijn ontworpen.

De entree loopt via een 70 cm brede gang naar een hangkast met gekleurde knoppen op verschillende hoogten, waar met potlood de hoogtematen bij zijn geschreven. Naar rechts treden we de eigenlijke woon- en slaapruimte binnen. De afmetingen zijn gebaseerd op de modulor: een vierkante ruimte van 3,66 m (1,40 + 2,26), met een hoogte van 2,26 m (plaatselijk 2,66 m). Het totale oppervlak is nog geen 16 m2. De cabanon is voorzien van twee ramen van 70 x 70 cm2, een raam van 33 x 70 cm2 en twee ventilatieroosters. De gids opent de houten luiken, die aan de binnenkant de ramen afsluiten. Ze zijn van binnen gedeeltelijk bekleed met spiegels en gedeeltelijk door Le Corbusier beschilderd. De ramen vormen een reeks: het kleine raam geeft uitzicht op de berg (op een meter afstand van het raam), een raam kijkt langs de kust en een raam geeft uitzicht op de Middellandse Zee.

Stortbak

Rechts, aan de zeezijde, bevindt zich het daggedeelte: een tafel ingelegd met kopshouten blokjes met twee kistjes om op te zitten, een wandkast en een lage kast waar nog een paar boeken in liggen. Het linker deel is het nachtelijk deel: een eenpersoons bed (oorspronkelijk twee), een nachtkastje en een 'sanitaire kolom' met kleine kastjes en een roestvrijstalen wastafel. Achter de hangkast staat, achter een gordijntje, een closetpot waarvan de stortbak buiten hangt.

Een keuken ontbreekt, de maaltijden werden betrokken van l'Etoile de mer via een opening in een gemeenschappelijke tussenmuur.

Alles heeft de kleur van naturel hout, op een enkele schildering na.

Hier leefde dus de beroemdste architect van de twintigste eeuw. Zonder design, in totale soberheid: zelfs een makkelijke stoel ontbreekt.

Dat hij er gelukkig was blijkt uit een uitspraak uit 1952: 'Ik voel me zo prettig in mijn cabanon dat ik er zeker van ben dat ik hier mijn leven zal eindigen.'