Fotograaf Kiek

De almanakredactie van het Leidse studentencorps maakte op zaterdag 22 januari 1876 een uitstapje. 'We maakten van de gelegenheid gebruik', notuleerde een van de studenten, 'om even naar den photograaf Kiek over te wippen, die echter in de stad (...) zijn verblijf scheen te houden. Daar reden we heen en ofschoon we niet zijne scrupules [met ons] mee te rijden, mochten overwinnen, want het was Sabbat en Kiek is een Israeliet, lachte de negotie hem te sterk toe, dan dat hij ons zijne diensten zou weigeren. Hij rende ons naar zijn laboratorium vooruit, en spoedig waren wij gegroepeerd, als groep genomen en vertoonde ons het negatief een deftige almanakredactie.' Natuurlijk is kiekje ooit door taalkundigen afgeleid van kijken, maar al sinds het einde van de vorige eeuw weet men het zeker: Kiek was oorspronkelijk de naam van een fotograaf uit Leiden.

Israel David Kiek werd eind april 1811 in Groningen geboren als zoon van een horlogemaker. Hij werkte eerst als kistenmaker, later als schrijnwerker, vleeshouwer en loterij-collectant. Nadat hij in Gouda en Amsterdam had gewoond, vestigde Kiek zich in 1855 met zijn vrouw en negen kinderen in Leiden. Op zijn zevenveertigste begon hij daar een nieuw beroep: in 1858 vermeldt het Adresboekje van Leiden hem voor het eerst als 'portraitteur', een jaar later als 'photograaph'. Kiek had zijn atelier even buiten de Rijnsburgerpoort, een strategische plek tussen de studentensocieteit en het station. 'Photographie des Maandags en Donderdags', adverteerde hij in het Leidsch Dagblad, 'drie album-portretten a eene gulden... ' De studenten waren zijn beste klanten. Niet dat zijn foto's nu zo goed waren. Ingeborg Th. Lijerzapf spreekt in haar gezaghebbend artikel 'Israel Kiek en Zonen', in 1984 gepubliceerd in Geschiedenis van de Nederlandse fotografie in essays en monografieen, van 'zeer onacademisch gecomponeerde groepsportretten'. De studenten hadden hier zelf de hand in. Het werd gewoonte om na een hele nacht doorzakken, zeer vroeg in de ochtend bij Kiek aan te kloppen. 'Om gefotografeerd te kunnen worden', memoreerde een oud-student in 1947 in een krante-artikel, 'moest eerst Kiek door groot lawaai uit de slaap worden gewekt: bonzen op zijn deur en schreeuwen, vaak met onheuse uitdrukkingen en scheldwoorden. (...) Dan verscheen de grote man, op gebloemde pantoffels en gekleed in een sjamberloek en nam hij, al pruttelend en zachtjes terugscheldend, het gezelschap mee naar het plaatsje achter zijn huis. (...)

Hij peilde de duisternis en deelde mee, hoeveel tellen de opname zou duren. Waren het honderd tellen, dan liet soms een grappenmaker zich kieken met twee hoofden: vijftig tellen het hoofd op de rechterschouder, vijftig tellen op de linker. Als Kiek soms, wegens het grote rumoer, niet kon beginnen, uitte hij de klassiek geworden wanhoopskreet: ' Heren, heren, de kunst moet voortgang hebben.' 'Dit gebeurde niet een keer, maar duizenden keren, want volgens Lijerzapf dienden de rommelige en onscherpe kiekjes, zoals ze al spoedig werden genoemd, 'voor de studenten als bewijs ' er bij te horen'.'Kiek hield het lang vol. Hij liet de gebeurtenissen lijdzaam over zich heen komen en stond zelfs toe dat studenten voor een kiekje op het dak van zijn atelier klommen. Toen hij vijfentachtig was hield hij het voor gezien. Zijn vrouw was inmiddels overleden en Kiek verhuisde naar een van zijn dochters in Arnhem. Twee jaar later keerde hij terug naar Leiden, waar zijn zoon Lion de zaak had overgenomen. Kiek stierf op 14 mei 1899. In datzelfde jaar schreef een woordenboek: 'kiekie, schertsende benaming, eerst voor een slechte, daarna voor elke photographie; naar Kiek, een kermis-photograaf.'