A. H. G. Rinnooy Kan; Wervelwind van universiteit naarbedrijfsleven

Na 1 april 1991 komt er bij het Verbond van Nederlandse Ondernemingen een wervelwind langs. Prof. dr. A. H. G. Rinnooy Kan (40), vanaf die datum de nieuwe voorzitter van de werkgeversorganisatie, zal dan snel de situatie van ondernemend Nederland analyseren, daar veel ideeen over ontwikkelen om daarmee vervolgens tegenspelers van het VNO in de publiciteit om de oren te slaan. Na 1 januari 1993, als zijn eerste termijn is verstreken, wervelt hij weer door naar andere streken. Rinnooy Kan blijft nergens lang plakken.

De hoogleraar bedrijfseconometrie staat bekend als briljant. Op 36-jarige leeftijd werd hij in 1986 rector-magnificus van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, een van de jongste universitaire stuurlieden ooit. Pedel van de universiteit J. Molendijk herinnert zich zijn snelheid vooral van promotieplechtigheden: 'In het begin moest ik hem afremmen bij het binnentreden van de cortege. Anders was hij de hele stoet voorbijgelopen.' Alexander Rinnooy Kan had Alexander Kan geheten als zijn vader niet de naam van diens stiefvader Rinnooy erbij had genomen om deze naam voor uitsterven te behoeden. Geboren uit een joodse vader en een Engelse moeder stond Rinnooy Kan van kinds af aan met een been in het buitenland. In zijn middelbare schooltijd spendeerde hij enige tijd op een school in Birmingham.

Op het Eerste Vrijzinnig-Christelijk Lyceum in Den Haag ging het leren hem gemakkelijk af. Dat betekende niet dat de gymnasium beta-leerling als een koele 'professor pi' tussen zijn klasgenoten leefde. 'Zijn karakter combineerde het afstandelijk-satirische van zijn vader met de menselijkheid van zijn moeder', vertelt een latere studievriend.

In 1967 ging de jonge Rinnooy Kan in Leiden wiskunde studeren. Niet gehinderd door grote studie-inspanningen wijdde hij zijn vrije tijd aan Angelsaksische auteurs als John Updike, Graham Greene en Sylvia Plath. Zijn interesse voor de roerige maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd uitte hij als hoofdredacteur van het blad Virtus van het Leids studentencorps. 'Hij koos daarin geen partij, hij analyseerde vooral', zegt een van zijn toenmalige studievrienden, drs. J. K. M. Gevers, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. De vele onderwerpen die hij aansneed en zijn toegankelijke stijl verrieden een journalistieke interesse die vader Rinnooy Kan als voormalig redacteur van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures ook niet vreemd was geweest. Een cum laude doctoraalexamen wiskunde in 1972 werd nog in hetzelfde jaar aangevuld met een kandidaatsexamen in de econometrie, eveneens cum laude.

Zijn promotie-onderzoek op het terrein van de wiskundige besliskunde, deed hij met J. K. Lenstra, nu hoogleraar aan de Technische Universiteit van Eindhoven. Dat was het begin van een langdurige en intensieve samenwerking: de twee schreven samen zo'n vijftig artikelen. Lenstra karakteriseert de samenwerking als een tussen 'een globalist en een detaillist/kruidenier'. Rinnooy Kan schreef de eerste versie van het artikel en zette snel de grote lijnen uit. Lenstra zorgde daarna voor de details: 'Ik deed de implementatie.' De afstandelijkheid van Rinnooy Kan keert terug in zijn voorliefde voor de 'perverse logica' van komieken als de Marx Brothers, Woody Allen en Monty Python. Enige jongensachtigheid bespeurde Lenstra ook in zijn voorkeur voor dwaze voorspellingen. Lenstra: 'Rinnooy Kan voorspelde halverwege de jaren zeventig dat het lineaire programmeringsprobleem niet binnen twaalf jaar zou worden opgelost en zette daarop twaalf flessen champagne in. Hij verloor, want al drie jaar na de weddenschap loste een Rus het probleem op.' Bij zijn komst naar Rotterdam in 1977 had Rinnooy Kan zich met talrijke publicaties en gastdocentschappen in Canada en de Verenigde Staten als wetenschapper bewezen. De leeropdracht die hij aan de Erasmus Universiteit als hoogleraar kreeg, had te maken met onderzoek dat tijdens de oorlog was ontstaan: hoe de logistiek van een militaire operatie te plannen met wiskundige modellen. Na 1945 werd deze benadering ook toegepast op grote management-operaties in het bedrijfsleven.

Na het aantreden van Rinnooy Kan als rector in 1986 werd zijn schaarse bestuurlijke ervaring meteen flink op de proef gesteld. Minister Deetman confronteerde de universiteiten met een grote bezuinigingsoperatie. De universiteitsraad, in rep en roer, vond dat het college van bestuur te karig was met informatie over de onderhandelingen met het ministerie.

Rinnooy Kan reageerde gepikeerd. Grote bemoeienis van de universiteitsraad compliceerde de onderhandelingen tezeer, liet hij in een interview weten. De universiteitsraad riep hem op het matje, de zaak werd vervolgens gesust. De rector bleek echter niet van plan zich te laten muilkorven. Daarvoor vond hij dat hij de wereld te veel te melden had, of het nu ging over studieduur of over cultureel analfabetisme. Hij bleef in de krant opduiken. Op vrijwel elk representatief evenement in het universitair circuit was hij aanwezig.

De buitenwereld sloeg zijn optreden relativerend gade. Rector magnificus prof. dr. J. J. M. Beenakker van de Leidse universiteit: 'Het was een man met gezag die je soms ook met een korrel zout nam: hij had wel erg veelideeen.'

Gevers uit Amsterdam: 'Als intellectueel schrikt hij er niet voor terug om van standpunt te veranderen. Hij is eerder vlinderachtig dan een betweter.' In het pleidooi van Rinnooy Kan voor 'ondernemende universiteiten' die onderling concurreren met hun opleidingen, studenten selecteren en de kapitaalmarkt op gaan, klonk iets door van zijn Amerikaanse ervaringen. Als hoogleraar aan onder meer Berkeley had hij de grote bestuurlijke en financiele autonomie van de Amerikaanse universiteiten leren kennen.

Gevers vond het pleidooi van Rinnooy Kan 'niet zijn sterkste stuk. Het was buitengewoon oppervlakkig. De overheid werd er helemaal in weggeschreven. Universiteiten en bedrijfsleven werden wel erg aan elkaar gelijkgesteld. Maar later heeft hij juist weer herhaaldelijk de verschillen tussen die twee onderstreept en de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van de overheid voor het fundamenteel onderzoek en de infrastructuur van het onderwijs'. De universiteitsraad vond het allemaal wat verwarrend, niet alleen die veelheid van ideeen, maar ook 'dat hij andere dingen in de krant schreef dan hij als rector zei', zegt dr. Nagels, voorzitter van de Progressieve Fractie in de raad. Bij het verstrijken van de eerste termijn van het rectoraat dreigde de raad wegens 'solistisch optreden' van Rinnooy Kan zijn instemming aan een herbenoeming te onthouden. 'Rinnooy Kan was erg bang voor een smet op zijn tot dan toe smetteloze carriere', zegt dr. H. Stam, lid van het college van bestuur. 'Met conflicten kon hij slecht leven. Echte vijanden had hij niet. Scepsis kwam hoogstens voort uit jaloezie.'

Een studievriend: 'Het was geen CDA-achtige harmonie die hij zocht, ook niet het politiek ontwijken van conflicten. Het was meer: iedereen zes stappen voor zijn en dan de achterblijvers wijzen hoe ze zonder kleerscheuren bij hem kunnen komen.' Het conflict met de universiteitsraad liep goed voor hem af. De raad hechtte in 1988 unaniem zijn goedkeuring aan verlenging voor een jaar in plaats van twee. De rector wilde zelf niet langer, zo heette het. Duidelijk was ook dat de raad zich aan Rinnooy Kan verplicht voelde. Zijn optreden mocht solistisch heten, hij had het imago van de universiteit versterkt, zegt Nagels. 'Hij stond voor de Erasmus.'

Met het binnenhalen van nieuwe opleidingen bestuurskunde, informatica en journalistiek in een tijd van bezuinigingen had hij ook veel good-will gekweekt.

De rector waakte ervoor dat de bestuurlijke activiteiten zijn lijnen naar wetenschap en maatschappij niet verstopten. Gedreven door een grote werklust bleef hij naast zijn werk als rector wetenschappelijk publiceren. Lidmaatschappen van besturen van talloze stichtingen, zoals de Nationale Wetenschapsweek, de vereniging voor Onderwijs, Kunst en Wetenschap, het Europees Forum Industrie-Universiteit en de Stichting Christelijke literatuur over joden en jodendom, vulden zijn curriculum vitae. Zijn betrokkenheid bij de laatste stichting, die een bibliografie uitgeeft over christelijke publicaties over het jodendom, duidt volgens initiatiefnemer prof. J. Wieberdink op 'een sociale betrokkenheid bij de bestrijding van antisemitisme in onze maatschappij. Hij doet dat echter langs wetenschappelijke weg.' Zijn functies binnen het bedrijfsleven bleven tot nog toe beperkt tot twee commissariaten: een bij Bank Mees en Hope en een bij de Perscombinatie. Oud-topman M. de Jong van de Perscombinatie herinnert zich hoe Rinnooy Kan tijdens het kennismakingsgesprek vertelde het commissariaat bij de uitgeefster 'als een goede gelegenheid te zien om het bedrijfsleven beter te leren kennen'.

Dat hij de aldaar heersende bedrijfseconomische opvattingen deelde en deze niet liet beinvloeden door eventuele journalistieke sentimenten, bleek even later. Hij stemde in met de fusie met de Nederlandse Dagblad Unie.

Toch komt zijn overstap naar de wereld van de ondernemers voor velen als een verrassing. Niemand kent hem echt, zo blijkt uit een rondgang daar. Bij het vakverbond FNV, de belangrijkste tegenspeler van het VNO, klinkt zelfs enige twijfel door. Voorman J. Stekelenburg: 'Hij is voor ons een onbeschreven blad. Van het VNO verwacht je toch dat ze een man uit de praktijk nemen, een manager die zijn sporen heeft verdiend in het bedrijfsleven, niet iemand uit de wetenschap en de theorie.' Ook de politieke kleur van Rinnooy Kan is een groot vraagteken. Lenstra, waar hij nu bijna twintig jaar mee samenwerkt, zou niet weten op welke politieke partij Rinnooy Kan stemt. Een andere studie-vriend: 'Hij is in elk geval geen Britse conservatief. Het is de vraag of hij er de persoon naar is om jarenlang op het aambeeld van loonmatiging te kunnen hameren.'

Rinnooy Kan typeerde zichzelf ooit als een 'net soort links liberaal'. Menigeen is benieuwd hoe Rinnooy Kan het er straks vanaf brengt. Rector Beenakker in Leiden: 'Hij is een slagvaardig 'debater', met een voorliefde voor onorthodoxe oplossingen. Ik ben benieuwd hoe dat gaat in een orthodox gezelschap. Rust zal hij er niet brengen.'

Voorzitter H. Hofstede van de vakorganisatie CNV ziet in de keus voor Rinnooy Kan een 'signaal dat het conservatieve, pragmatische VNO wil veranderen in meer progressieve richting'. Bestuurder Stam van de Erasmus Universiteit verheugt zich nu al op de debatten van de toekomstige VNO-voorman met tegenspeler Stekelenburg. Dat Rinnooy Kan lang bij het VNO zal blijven, gelooft Stam niet. 'Het zal wel een tussenstap zijn. Misschien op weg naar de politiek om zijn vriend Ritzen op te volgen.'