VICTORIAANS VOORUITGANGSGELOOF

Elke cultuur heeft haar visie op het verleden, temt de tijd door deze te ordenen. Ook de Victorianen waren de uitvinders (Bowler spreekt van invention) van hun eigen verleden. Bowler bedoelt met de titel van zijn boek dat de Victorianen hun eigen tijd begrepen als een periode van vooruitgang, dat zij die opvatting oplegden aan het verleden, en dat zij daarom verschillende vormen van vooruitgang ontdekten in dat verleden.

Maar het woord invention (hij benadrukt die term ook in zijn boek) geeft gemakkelijk aanleiding tot misverstanden. Als bedoeld wordt dat de Victorianen hun eigen geschiedenisfilosofie ontwierpen, dan is dat niets nieuws. In dit opzicht is de titel van dit boek dus weinig informatief. Als men de Victorianen echter wil aanzien voor de ontdekkers van de vooruitgang in het verleden (en zo kan men de titel ook lezen) dan drukt de titel een onwaarheid uit. Want ofschoon de vooruitgangsgedachte hoogtij vierde in de vorige eeuw, was dat toch de oogst van wat de Verlichting al had gezaaid. Kortom, de titel bevat weinig informatie of weinig waarheid, en wellicht allebei.

VERBINDING

Bowler biedt in zijn boek een synthese van de verschillende niveaus waarop onderzoekers en ontwikkelde burgers uit het Victoriaanse Engeland zich het verleden voorstelden. Het gaat hier om de geschiedenis van de aarde, van het leven en van de beschaving; dat verleden was opgebouwd uit geologie, biologie en geschiedenis. Bowler legt een verbinding tussen ontwikkeling, evolutie en vooruitgang.

De Victorianen lazen in dat verleden verschillende vormen van vooruitgang: lineair en cyclisch. De lineaire visie werd vooral door 'Whigs' aangehangen, de latere 'Liberals'. Zij beleefden hun eigen tijd als een hoogtij van de waarden waarvan zij de pendant wisten in de evolutie van het leven: laissez-faire politiek en onderlinge concurrentie, individualisme en inspanning als motor van de vooruitgang, vergelijkbaar met 'struggle for survival' en 'survival of the fittest'. Bovendien leidde een lineaire progressie regelrecht naar hun als hoogtepunt ervaren beschaving, zonder dat goddelijke ingrepen werden gevergd: als de trein eenmaal op de rails stond, was er geen behoefte meer aan een Machinist. Maar die gedachte ging veel conservatieven te ver. Zij zochten Gods werkende hand in de opkomst van steeds nieuwe beschavingen die door hen werden opgevat als organische entiteiten, met een cyclus van groei, bloei en ondergang. Elk daarvan droeg bij aan een discontinue reeks van elkaar opvolgende beschavingen, zodat men een cyclische geschiedvisie kon verenigen met het idee van vooruitgang. Assyrie, Egypte, Hellas en Rome waren de voorgangers en voorbeelden van het Britse wereldrijk.

Bowler relateert deze twee visies aan de vooruitgang in de geschiedenis aan verschillende Victoriaanse opvattingen met betrekking tot de prehistorie van de mensheid, de evolutie van het leven en de geschiedenis van de aarde. Dat roept vragen op die Bowler niet heeft beantwoord: wat is eigenlijk vooruitgang? is vooruitgang niet zozeer op het menselijk bereik betrokken, dat de vergelijking met evolutie (laat staan met geologische ontwikkeling) wel een erg moeizame wordt? Een heel hoofdstuk gaat over The Origin of Races, een aardige allusie op Darwins meest bekende boek. Probleem is echter dat racisten hun geborneerde blik in het algemeen achterwaarts richtten op de enigszins, niet zelden in nevelen (Nibelungen) gehulde, mystieke bron van hun ras. Meestal zagen zij de historische ontwikkeling niet als een vooruitgang maar als degeneratie.

De verbinding van racistische theorieen met een cyclische ontwikkeling is ook niet echt overtuigend. Een ras levert zijn bijdrage aan de beschavingsontwikkeling en moet dan plaatsmaken voor een ander ras, met een hogere cultuur (meestal de Ariers uit het oosten), dat binnenvalt als gevolg van migratiebewegingen. Bowler typeert deze ontwikkeling als 'episodisch', 'discontinue', en 'cyclisch'; de eerste twee termen zijn echter meer op hun plaats dan de laatste.

FRENOLOGIEBowler is er wel in geslaagd de vaak verguisde frenologen, die doorgaans in hetzelfde riool als racisten hun biotoop hebben gevonden, te presenteren in het licht van de vooruitgang. De frenologie ging ervan uit dat de geestelijke vermogens van de mens niet door de ziel, maar door de structuur van de hersenen worden bepaald. De vorm van de schedel was daarvan de uiterlijke index. De latere craniologie (scherpslijperijen van schedelmeters) is het enfant terrible van de frenologie.

Maar de frenologie ging uit van een materialistisch principe: de wetten die geest en gedrag beheersten, waren dezelfde als die van de natuur. De principes die de natuurlijke ontwikkeling bepaalden, waren ook verantwoordelijk voor de geestelijke ontwikkeling van de mens. Toegenomen intelligentie werd vaak toegeschreven aan de groei van de schedelomvang en de hoeveelheid hersenen.

De vondsten van de Neanderthaler droegen bij aan een lineaire opvatting van het verleden, waarvan de meest eenvoudige voorstelling zich liet aanzien als de reeks aap - Javamens - Neanderthaler - primitieve mens - blanke mens. De Neanderthaler had weliswaar een relatief omvangrijke schedel maar met een afhellend voorhoofd, waar men juist de intellectuele vermogens van de mens veronderstelde.

Een van de aardigste afbeeldingen uit dit boek toont ons de tempel van Serapis in Puzzuoli, of liever: enkele resterende zuilen met ruines op de achtergrond. Op de zuilen is te zien dat de zee er haar sporen heeft achtergelaten toen zij nog een hoger niveau had. De afbeelding stamt uit het eerste deel van Lyells Principles of Geology (1830-33). Lyell wilde hiermee geologische veranderingen in beeld brengen. Bovendien suggereert de tempelruine een overeenkomst hiervan met de opkomst en ondergang van een imperium. De afbeelding is de uitdrukking van twee cycli: in de geologie en in de geschiedenis.

Lyell geloofde dat dezelfde oorzaken die nu werkzaam zijn in de ontwikkeling van de aarde, dat ook waren in vroegere geologische tijdperken. Die ontwikkelingen waren cyclisch van aard en als de klimatologische omstandigheden zich ervoor zouden lenen, dan zou er in de toekomst in principe een nieuw Reptielentijdperk kunnen terugkeren op aarde. Daarmee is de spot gedreven in een bekende prent waarop men een verzameling Ichthyosauri ziet onder aanvoering van 'Professor Ichthyosaurus' (Charles Lyell), die zijn soortgenoten onderwijst over een lagere diersoort terwijl hij met zijn aanwijsstok op een mensenschedel duidt.

DARWINISMENatuurlijk kon men de geologie ook lezen als het verslag van een lineaire ontwikkeling die verliep van de eerste levensvormen, via de ongewervelde en de gewervelde dieren, naar de zoogdieren en zijn hoogtepunt vond in de mens. Zo heeft Lyell het niet willen begrijpen, maar sinds Darwin dachten de Victorianen zich zo het verloop van de evolutie in. De beste passages in dit boek van Bowler zijn gewijd aan deze gangbare Victoriaanse veronderstelling die op een verkeerde interpretatie van Darwin berust. Deze heeft in zijn evolutietheorie allerminst een lijnrechte afstammingsleer gepresenteerd maar, integendeel, een radicale contingentie ingevoerd. De evolutie was volgens Darwin niet een rechte lijn maar verliep eerder volgens het onregelmatige patroon van allerlei vertakkingen. De takken zijn onderling niet eenvoudig vergelijkbaar omdat zij in verschillende stadia van ontwikkeling verkeren. De variatie binnen een bepaalde populatie is erg groot en kan de soort in elke mogelijke richting sturen. Het toeval overheerst en de mens is daarvan het produkt.

In feite bedreigde deze denkwijze het geloof in de vooruitgang. Het is dan ook paradoxaal dat het darwinisme een van de steunpilaren werd van dat vooruitgangsgeloof. Het darwinisme werd echter gekneed en gevormd tot het zijn plaats vond binnen het Victoriaanse denken. De Victorianen wilden zich een ideaalbeeld vormen waarin de evolutie van het leven een fase was, tussen geologische ontwikkeling en historische vooruitgang, van een proces dat van de vuurstenen vuistbijl tot aan de stoomhamer verliep. Dat zijn boeiende gedachten. Jammer dat Bowler van deze fascinerende filosofie zo'n slordige synthese heeft gemaakt.