Projectie-tv eindelijk volwassen; Groter, niet zwaarder

Terwijl de geluidsapparatuur almaar kleiner wordt, heeft de televisie juist de neiging steeds verder uit te dijen. In 1936 had het gangbare beeldscherm een diagonaal van 25 centimeter, in 1954 bracht Philips als eerste een tv van 48 centimeter op de markt, en tegenwoordig zijn al televisies van 85 en 89 centimeter te koop.

De kijker heeft kennelijk genoeg van het bewegend schilderijtje. Hij wil de illusie krijgen dat hij deel uitmaakt van wat hij ziet op het scherm. De televisie als huisbioscoop.

Maar de conventionele techniek stelt grenzen aan de groei. Niet omdat het onmogelijk is nog grotere beeldbuizen te maken. Wel omdat dergelijke televisies een aantal onoverkomelijke nadelen hebben. Het worden onhandelbare bakbeesten, omdat ze niet alleen groot zijn in lengte en breedte maar ook in diepte. De kolossale glazen beeldbuis maakt het toestel zwaar en duur. Ter illustratie: de Grundig-tv met diagonaal van 89 centimeter weegt bijna 100 kilo en kost 9000 gulden.

Om toch te kunnen voldoen aan de vraag van televisie-fanaten naar nog grotere schermen, hebben de elektronicafabrikanten zo'n tien jaar geleden het idee van de projectie-tv weer van stal gehaald. Principe daarvan is, dat het beeld van drie kleine beeldbuizen (voor de basiskleuren rood, groen en blauw) via een lenzenstelsel precies over elkaar op een scherm worden geprojecteerd.

Dat idee stamt al uit de beginjaren van de televisie, toen nog werd gewanhoopt aan de mogelijkheid om ooit grotere beeldbuizen te maken. Maar sinds het eind van de jaren veertig leidde het onderzoek naar projectie-televisie niet meer dan een sluimerend bestaan. De praktische problemen leken onoverbrugbaar. De projectie ging onvermijdelijk ten koste van lichtsterkte en scherpte. De kwaliteit van de beelden bleef beneden peil.

Pas een serie technische doorbraken in de jaren tachtig maakten projectie-televisie eindelijk rijp voor de markt, vertelt F. Boekhorst, ontwikkelaar in het Large Screen Lab van Philips. Die doorbraken golden alle drie de sleutelcomponenten: de beeldbuis, het lenzenstelsel en het projectiescherm.

Het elektronenkanon, dat door uitzending van een elektronenstraal zorgt voor het oplichten van de fosfor-puntjes op het scherm van de beeldbuis, werd verbeterd en vergrootte de beeldscherpte met een factor vijf. Toepassing van nieuwe fosforen verhoogde de lichtopbrengst en verminderde de slijtage (de oudering). Ingrijpender nog was de ontwikkeling van het lenzenstelsel.

Aanvankelijk leek het onmogelijk om lenzen te maken met korte brandpuntafstand en groot scheidend vermogen, waardoor de lichtweg tussen lens en scherm meerdere meters bedroeg. Projectie-tv's in het begin van de jaren tachtig namen dan ook noodgedwongen hun toevlucht tot zogenaamde front-projectie: ergens achter in de kamer stond een tv-projector die de beelden over de hoofden van de toeschouwers heen op het scherm projecteerde, net zoals in de bioscoop. Die opstelling vergde een volledige verduistering van de ruimte. Scherpstellen was een groot probleem.

Deze handicaps konden pas worden weggenomen, toen het met allerlei technische trucjes lukte om lenzen te maken met een veel kortere focus. Daardoor kon de lichtweg in de tv-kast worden 'opgevouwen'. Projectie gebeurde voortaan in het apparaat.

De televisies wonnen verder aan contrast en scherpte, doordat het mogelijk werd om plastic in plaats van glazen lenzen te gebruiken. Glazen lenzen zijn niet alleen zwaarder en duur, maar ze hebben ook het nadeel dat ze alleen met veel moeite asferisch kunnen worden geslepen. Kunststoflenzen zijn makkelijker asferisch te maken. Lensafbeeldingsfouten kunnen op die manier worden gecorrigeerd.

Een vondst was ook om beeldbuis en lenzenstelsel te koppelen met een vloeistof (een mengsel van glycol en glycerol) die eenzelfde brekingsindex heeft als glas. Daardoor werd het contrastverlies vermeden dat anders optreedt, omdat 4 procent van het loodrecht invallend licht terugkaatst. Belangrijk bijkomend voordeel is dat die vloeistofkoppeling ook zorgt voor afvoer van warmte. Het vermogen van het elektronenkanon wordt namelijk op de fosforlaag van het beeldscherm niet alleen omgezet in licht maar ook in warmte. Zonder warmte-afvoer zou de beeldbuis bij een hoog vermogen algauw exploderen. Dankzij de vloeistofkoppeling kan toch een hoog vermogen worden gebruikt, wat de lichtsterkte aanzienlijk vergroot.

Door al deze technische verbeteringen, inclusief de ontwikkeling van een speciaal projectiescherm met minimale reflectie, is de beeldkwaliteit van projectie-tv inmiddels even goed of even slecht als die van conventionele televisie. Een vergelijkend onderzoek van het vakblad Video (januari 1989) tussen een conventionele tv van Grundig (89 cm) en een projectie-tv van Philips (117 cm) levert qua beeld geen noemenswaardige verschillen op.

Wel signaleert het blad een aantal andere voordelen van projectie-televisie. Het volmaakt platte scherm wekt de indruk van diepte, de geringe reflectie maakt de beelden ook goed zichtbaar bij daglicht. En ondanks een 30 procent groter beeldscherm is de projectie-tv bijna de helft lichter (48 kilo) en 40 procent lager in prijs (6000 gulden). F. N. van den Bogaard, binnen Philips verantwoordelijk voor Superscreen tv, voorziet de komende jaren een groeiende markt voor projectie-televisie. Dit jaar zullen er over de hele wereld naar schatting zo'n 400.000 van die apparaten over de toonbank gaan, het leeuwedeel in de Verenigde Staten. Marktleider Philips verkoopt daar al televisies met een beeldscherm van anderhalve meter doorsnee. 'Big' is in televisieland weer 'Beautiful'.