Mensensmokkel boven de woestijn

De Jerusalem Post, die sinds de krant een op Likud stemmende eigenaar heeft lang niet meer is wat zij geweest is, heeft het auteursrecht op het volgende grapje over het bewind van Saddam Hussein: Irak is een van de weinige landen in het Midden-Oosten waar de joden geen last hebben van officieel antisemitisme. Dat komt doordat ze bijtijds het land ontvlucht zijn.

Dat ironische grapje heeft een bittere geschiedenis: als het de Iraakse joden na de Tweede Wereldoorlog niet gelukt was het land uit te komen, waren ze er nu niet meer geweest. De joodse gemeenschap van Irak, die in het begin van de Tweede Wereldoorlog meer dan honderdduizend zielen telde (van wie de meesten in Bagdad woonden), is na 1945 via een even spectaculaire als geruisloze luchtbrug bij stukjes en beetjes naar Israel gesmokkeld. Die landverhuizing van een bijna complete bevolkingsgroep, die in 1941 een hevige pogrom had moeten verduren, is bijna veertig jaar lang een van de best bewaarde geheimen van het Midden-Oosten gebleven. Zoveel als er geschreven is over de ook al menigmaal verfilmde illegale, door het Engelse mandaatsbestuur hardvochtig onderdrukte immigratie van Europese joden in Palestina, zo weinig is er bekend geworden van de clandestiene immigratie van de joden uit de Arabische landen, die over vele nooit ontdekte sluipwegen loopt en door talrijke sociale netwerken over de grens geholpen is.

De bijzonderheden van de illegale emigratie van Iraakse joden naar Israel in de jaren 1946-51 zijn in 1985 voor het eerst door de organisatoren uit de doeken gedaan pas nadat de laatste joden veilig over de grens van Irak waren gebracht. Zonder dat de autoriteiten (eerst het Engelse mandaatsbestuur, later het Iraakse regeringsapparaat) er ooit de lucht van hadden gekregen, waren tienduizenden Iraakse joden, telkens in beetjes, jarenlang regelmatig en met een verbazingwekkende efficiency door de ondergrondse smokkeldiensten van de Jewish Agency naar Israel gevlogen. De vliegtuigen waarmee dat gebeurde waren voor het grootste deel vrachttoestellen, die al een dubbel leven achter de rug hadden en die onder onmogelijke omstandigheden hun onmogelijke opdrachten moesten uitvoeren. Op hun nachtelijke smokkelvluchten moesten ze meestal zonder verlichting op Iraakse airstrips landen en ook weer zonder verlichting zien weg te komen.

De joden van Irak hadden een speciale betekenis, om niet te zeggen een morele meerwaarde voor de jonge staat Israel. In de eerste plaats vormden ze de oudste joodse gemeenschap in de diaspora, waarvan de geschiedenis terugging tot de eerste tempel van 2500 jaar geleden. In de tweede plaats brachten ze een belangrijk economisch en intellectueel potentieel mee. Ze leverden verhoudingsgewijs het hoogste aantal maatschappelijk geslaagde gezinnen en ze telden relatief het grootste aantal intellectuelen.

Uit hun midden was ook Shlomo Hillel afkomstig, de schrijver van de in 1985 (eerst in het Hebreeuws) verschenen Geschiedenis van de emigrantensmokkel, die in de Engelse uitgave de titel kreeg: Operation Babylon, Jewish Clandestine Activity in the Middle East 1946-51. Hij bracht het tot minister in de kabinetten van Golda Meir en Yitzhak Rabin (daarna voorzitter van het Israelische parlement, de Knesset, en eerste man van de Jewish Agency), maar in de jaren waarover zijn boek gaat was hij nog een onbekende held, die gestaald was in de Haganah en zich in geheime 'missions impossible' had gespecialiseerd.

Zonder ophef en met de steun van een (letterlijk) ondergrondse (uit kelders en geblindeerde ruimtes opererende) Iraakse steungroep en van de bemanning van zijn gammele vliegtuigen bracht hij honderden groepen Iraakse joden (op een totaal van 130.000 joden die naar Israel zouden emigreren) buiten het virulent antisemitische domein van de Faisals. Het boek is tot mijn verbazing nog niet in het Nederlands vertaald, maar nog verbazingwekkender is dat het nog niet door de filmindustrie is ontdekt, ofschoon het boek in de Verenigde Staten als paperback (Fontana) zeer redelijke verkoopcijfers heeft gehaald. Gegeven de dramatiek van de door Hillel beschreven smokkelgeschiedenis zou Operation Babylon als film niet voor Exodus 1947 hoeven onder te doen.

Een filmer zou zich nauwelijks een dankbaarder onderwerp kunnen wensen dan de staatkundige geschiedenis van Irak (voorheen Mesopotamie), dat sinds de vestiging van de monarchie in 1921 en de daarop volgende republikeinse staatsvorm in 1958 tal van koningsmoorden en militaire staatsgrepen heeft meegemaakt die in de recente geschiedenis hun bloedige weerga niet kennen. Aan een gebrek aan dramatisch materiaal zou zo'n film niet hoeven lijden, want de ene heerser na de andere is daar op de spies aan zijn eind gekomen. De beschrijving die Anthony Eden in zijn memoires van de slachtpartij van de aanslag op koning Faisal geeft, zou heel goed als begin kunnen dienen.(De Engelse premier zit met zijn handen voor zijn ogen en probeert het nieuws te verwerken dat hij zojuist uit Bagdad heeft gehoord. Hij is volkomen van slag, want Faisal, die hij tot zijn persoonlijke vrienden rekent, behoort tot de trouwste politieke bondgenoten van Engeland in het Midden-Oosten. Edens gedachten gaan terug naar het recente staatsbezoek van de koning aan Londen). De aanslag op Faisal kostte tegelijkertijd het leven aan zijn oom en aan tal van zijn naaste medewerkers, onder wie ministers en vrienden en aan een aantal vrouwen en kinderen. 'De omstandigheden van de moord zijn, zelfs volgens moderne begrippen, van een exceptionele barbaarsheid. Het ergste dat ik tot dusver heb gekend is de moord in 1903 op koning Alexander en koningin Draga in Belgrado die uit een raam van hun paleis op straat werden gegooid.

Toen ze zich aan het raamkozijn wilden vastgrijpen, werden hun handen eraf gehakt. Er ging een huivering door Europa toen dat bekend werd. De moord in Bagdad was nog veel vernederender. De naakte lichamen van de vroegere Regent en van Nuri es-Said werden temidden van onbeschrijflijk beestachtige taferelen door de straten van Bagdad gesleept. Een Engelse officier werd in de Ambassade doodgeschoten. Drie Amerikanen werden door de menigte aan stukken gescheurd, onder lauwe protesten van de regering.' Een filmer die niet alleen in horror en suspense maar ook nog in de staatkundige feiten geinteresseerd zou zijn, zou een film kunnen maken over de rol van Engeland in het Midden-Oosten die de analogieen met de tegenwoordige crisis in de Golf in perspectief zouden plaatsen. In het verzameld werk van Winston Churchill is ook voor dit doel een overdaad aan filmisch materiaal te vinden waarmee geillustreerd kan worden dat sinds de eerste Engelse mandaatsbestuurder in Irak een voet aan wal zette om de olie voor Engeland veilig te stellen, het met de rust in het Midden-Oosten voorgoed gedaan was.

Een van de meest verhelderende scenes komt uit de Lagerhuisdebatten van 1921, waarin Churchill zich, zonder het woord te gebruiken, aandient als de schepper van Irak en met een koning voor den dag komt zonder dat de kiezers van Irak (die hij met een scherts-plebisciet bedenkt) daaraan te pas komen. Ze mogen zich voor Churchills keus uitspreken, een andere keus krijgen ze niet. 'Wij willen het volk van Irak geen koning opdringen, maar aan de andere kant kunnen wij niet onverschillig staan tegenover een zaak die voor ons van zo'n vitaal belang is.'

Einde debat. Londen had gesproken, Londen had beslist.