`Ik val aan, volg mij`; maar eerst dit lezen

Het regeringsbesluit om twee fregatten naar de Golf te zenden heeft de Koninklijke Marine veel publiciteit opgeleverd. Het effect van aan avonturisme appellerende bioscoopreclames en van Helderse vlootdagen valt in het niet bij de golf van journalistieke aandacht voor de schepen die vernoemd zijn naar twee vlootvoogden die in 1658 de dood vonden bij een actie om de Sont open te houden.

De marineleiding zal deze aandacht goed kunnen gebruiken bij haar verzet tegen vergaande bezuinigingen. De marine is een instelling die grote waarde hecht aan tradities en het geweeklaag over te weinig middelen is zo'n traditie, die teruggaat op de tijd van Witte de With en Pieter Florisz. In zijn driedelig werk over de Koninklijke Marine tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarvan het laatste deel net is verschenen, stelt kapitein-luitenant ter zee Ph. M. Bosscher vast dat de bezuinigingen op de zeemacht in het interbellum van negatieve invloed zijn geweest op de verrichtingen van de marine in de jaren '40-'45. Hij vaart hiermee op het kompas van Loe de Jong, zij het dat hij diens stelling enigszins relativeert. Na 1936 was er flink geinvesteerd, vooral in vliegtuigen en in uitbreiding van de marinehaven Soerabaja, die daardoor volgens Bosscher de best geoutilleerde marinehaven in Zuidoost Azie was geworden. Bovendien bleek bij gevechtshandelingen dat 'verouderd' niet altijd 'nutteloos' hoefde te betekenen. Zo waren in de meidagen van '40 enkele ruim zeventig jaar oude kanonneerboten zogenaamde strijkijzers succesrijk. En de Noren wisten een van de grootste Duitse kruisers, de Blucher, in de Oslofjord uit te schakelen met antieke koperen torpedo's, die met schietkatoen als gevechtslading vanuit in de rots uitgehakte tunnels waren gelanceerd. Nadat wegens de oorlogsdreiging het roer financieel om was, bleek het moeilijk omvangrijke orders te plaatsen; als dat lukte, waren de levertijden lang.

Maar zou de Nederlandse neutraliteitspolitiek, die verhinderde dat er voorbereidingen getroffen konden worden voor een bondgenootschappelijke oorlogsvoering, geen belangrijker reden voor de relatieve zwakte van de defensie zijn geweest dan haar beperkte financiele armslag? De Slag in de Javazee (27/28-2-1942) zou bij voorbeeld een minder verpletterende nederlaag zijn geworden als er sprake van een langere bondgenootschappelijke samenwerking zou zijn geweest. Nu ging in die slag zowat alles verkeerd wat communicatie betreft. Zo ontbrak een gemeenschappelijk seinboek, hadden de schepen van de vier betrokken marines nooit samen geoefend en was schout-bij-nacht Doorman door organisatie- en communicatieproblemen nagenoeg geheel verstoken van inlichtingen over de vijand. De Japanse overmacht was dermate groot dat ook met de schepen die door het verwerpen van de Vlootwet in 1924 nooit zijn gebouwd, een nederlaag zou zijn geleden. Een van de weinige Nederlandse schepen die de slag overleefden doordat het een gehavende Britse kruiser moest escorteren naar veiliger water was overigens de torpedobootjager Witte de With, die echter twee dagen later bij een luchtaanval op het Marine Etablissement van Soerabaja tot zinken werd gebracht.

GEHEIM CONTACTIn strijd met de neutraliteitspolitiek en zonder de regering daarin te kennen, had de marineleiding al in de mobilisatieperiode contacten gelegd met de Royal Navy. Zo was er een geheime radioverbinding aangelegd tussen de marinestaf in Den Haag en de Admiralty in Londen, via welk kanaal onder meer het vertrek van de koninklijke familie snel geregeld kon worden. En de marine-attache in Londen die dit geregeld had, A. de Booy, had ook al alle voorbereidingen getroffen voor de huisvesting van de marinestaf in de Britse hoofdstad, zodat toen chef-staf admiraal Furstner daar arriveerde, hij zo plaats kon nemen achter een bureau. Diens vertrek was overigens tegen de wens van opperbevelhebber Winkelman, maar door een slimmigheidje had Furstner zich aan diens gezag weten te onttrekken. Eigenzinnigheid en een groot gevoel van eigenwaarde is bij de marine altijd levend gebleven. De opdracht van de marine aan Bosscher om haar oorlogsgeschiedenis te boek te stellen, is daar ook een uiting van. De auteur heeft er een monumentaal werk van gemaakt.

In het in 1984 verschenen eerste deel waarop hij is gepromoveerd heeft hij de vooroorlogse geschiedenis van de marine en die van de eerste twee oorlogsjaren in de Europese wateren beschreven. In het daaropvolgende deel, twee jaar later verschenen, heeft hij zich geconcentreerd op de marineactiviteiten in de Oost, tot de overgave aan Japan op 8 maart 1942. In het nu van de persen gerolde boek beschrijft hij de verdere rol van de marine in de strijd tegen Japan, die tegen de Duitsers in Europa en de West om met een bescheiden 'poging tot balans' gedoopte conclusie op de drie boeken te eindigen.

Het boek maakt een wat overdadige indruk. Werkelijk alle activiteiten van Nederlandse oorlogsbodems komen uitgebreid aan bod, geen reparatiebeurt of oefenvaart is overgeslagen. Ook bij het notenapparaat en de bijlagen is van overdaad sprake. Dat beslaat eenderde van het boek, waardoor het zwaar naar stuurboord overhelt. Andere aspecten zijn daarentegen stiefmoederlijk bedeeld. De kaartjes hoewel duidelijker dan die in deel II zijn veel te globaal. Dit knelt des te meer omdat alle Nederlandse geografische namen in Zuid-Oost Azie inmiddels van de kaart zijn geveegd. In een moderne atlas zal men tevergeefs zoeken naar Bernardkamp aan de Idenburgrivier (ergens in het centrale bergland van Nieuw-Guinea, het huidige West-Irian). Het ontbreken van een plaatsnamen- en zakenregister maakt het werk minder hanteerbaar; volstaan is met een register op persoons- en scheepsnamen. En ook een afkortingenlijstje zou wel handig zijn geweest. Net als andere hierarchische organisaties, zoals het leger en de NS, is de marine verzot op afkortingen. Niet-ingewijden moeten toch even met de ogen knipperen als de gezagsverhouding tussen de CAFAC en de OAZ worden beschreven. Het betreft hier de 'Commander All Forces Aruba and Curacao'aoeen Amerikaanse schout-bij-nacht, en de Oudst Aanwezend Zeeofficier, de bescheiden titel van de Nederlandse marinecommandant aldaar.

FRICTIES

Het is boeiend te lezen hoe de auteur de gevolgen van de geallieerde strategische beslissingen voor de Koninklijke Marine ontrafelt. Ook de fricties in het Nederlandse kamp komen aan de orde. ' Nederland voert thans een imperiale oorlog en geen Indische', telegrafeerde BSO (Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten) Helfrich in 1943 aan minister van marine Furstner, klagend over de aanspraken van het Departement van Kolonien en Indische bestuursambtenaren als Van Mook en 'Edeleer' Van der Plas over marineactiviteiten in Azie. De laatsten verwachtten veel meer van de Amerikanen dan van de Engelsen, terwijl dat bij de marine juist andersom was.

Bosschers oordeel over de contacten met de Amerikaanse marine zijn negatief. Na het echec bij Pearl Harbor beschouwde de Amerikaanse marine de Stille Oceaan als een eigen oorlogsgebied. Het door Pearl Harbor gebeukte prestige kreeg nog een extra deuk toen men van Nederlandse kant aandrong op vervanging van de onbekwaam geachte Amerikaanse opperbevelhebber van de geallieerde vloot in de Oost, admiraal Thomas C. Hart. Het gevolg was dat de Nederlandse schepen nauwelijks werden ingezet en dat de eerder met succes opererende duikboten geen gezamenlijke acties konden ondernemen. Incidenteel werden nog wel geslaagde operaties uitgevoerd, zoals door de onderzeeboten O 19 en Zwaardvisch. Rampzalig was het verloop van de activiteiten van de 'Nefis' (Netherlands Forces Intelligence Service). Omdat men verstoken was van inlichtingen over het bezette Indonesie, besloot de Nefis er groepjes geheime agenten vanuit Australie naartoe te zenden. Dezen werden dan via een onderzeeboot naar de plaats van bestemming gebracht met de bedoeling hen enkele dagen later weer op te halen. Heel weinig agenten hebben dit overleefd, vermoedelijk doordat de plaatselijke bevolking allesbehalve meewerkte. De Nederlandse ambtsdragers trokken hieruit echter niet de conclusie dat de Indonesische bevolking blijkbaar toch niet zo reikhalzend uitkeek naar het herstel van de vooroorlogse verhoudingen.

Hoewel Bosscher uiterst positief oordeelt over de samenwerking met de Britse marine, geeft hij ook argumenten die dit oordeel nuanceren. Tegen de wens van Helfrich en Doorman in werd de marine in de winter van 1941/'42 hoofdzakelijk ingezet als escorte voor konvooien van en naar Singapore, terwijl de Nederlandse admiralen tevergeefs bij de Britten pleitten voor 'hit and run' acties, die volgens hen veel effectiever zouden zijn. Toen het daar eindelijk van kwam Slag in Straat Badoeng en Slag in de Javazee was het initiatief helemaal bij de Japanners, die inmiddels over vliegvelden in de Indonesische archipel beschikten. Toen Helfrich na 8 maart '42 zijn hoofdkwartier in Colombo (op Ceylon, nu Sri Lanka geheten) vestigde, had hij voor wat de Indische Oceaan betrof, te maken met Brits opperbevel. Dat was ook niet bevredigend omdat de Britten prioriteit gaven aan de oorlog in Europa en het beste materieel daarheen lieten overkomen. Daardoor was de 'Eastern Fleet' niet tot offensieve acties in staat. Met als gevolg dat de twee kruisers die de marine in Azie nog had, de Heemskerck en de Tromp, niet veel konden uitrichten. De opleidings- en reparatiefaciliteiten die de Britten en in mindere mate de Amerikanen de Nederlanders boden, lieten weinig te wensen over. Dat gold niet voor alle van de Britten overgenomen schepen. Zo bleek het in maart '43 tegen de Hr. Ms. Jan van Gelder geruilde drie jaar oude korvet HMS Carnation herdoopt in Hr. Ms. Friso zo slecht gebouwd dat er nauwelijks mee te varen viel: het schip lekte, trilde en had een ondeugdelijke ventilatie.

WEINIG DREIGING

In de Europese wateren was de marine een groot deel van de oorlog hoofdzakelijk actief in de onderzeebootbestrijding; de Marine Luchtvaart Dienst nam deel aan bombardementsacties. Van de Nederlandse onderzeeboten was alleen het optreden van de Hr. Ms. Dolfijn in de Middellandse Zee een groot succes. Omdat Hitler de grote Duitse oorlogsbodems had geconcentreerd in Noorse fjorden en die uit zuinigheid nauwelijks in actie liet komen, ging van de Duitse oppervlakteschepen weinig dreiging uit. Dat gold overigens niet voor de van die schepen gelanceerde vliegtuigen, die van het in konvooi naar Moermansk varen een hachelijke onderneming maakten. Bij de verovering van Italie speelden twee Nederlandse kanonneerboten nog een belangrijke rol, de door de Britten als 'terrible twins' aangeduide Soemba en de Flores. Beide schepen speelden later een bijrolletje bij de invasie in Normandie omdat tot ergernis van Furstner de Amerikaanse marineleiding geen hoge dunk had van hun gevechtskracht.

De kruiser Sumatra was volgens de Amerikanen nog net geschikt om in gezonken toestand als golfbreker te dienen bij een van de kunstmatige havens aan de Normandische kust. Het bleef wennen voor de Nederlandse beleidsmakers in Londen dat na de Japanse invasie in Indonesie Nederland geen politieke factor van betekenis meer was. De strategische beslissingen werden niet alleen buiten de Nederlandse regering c.q. marineleiding om genomen, zij werden vaak nog niet eens meteen meegedeeld. Furstner had zijn handen vol aan de permanente reorganisatie van de vloot ten gevolge van de in Brits-Amerikaanse stafkamers uitgedachte plannen. In de uitvoering daarvan toonde Furstner niet zijn grootste kracht. Hij had volgens Bosscher een formalistische en stijve stijl van leidinggeven en had gebrek aan warmte en begrip jegens de varende vloot. Volgens Helfrich, die door hem ook niet in de besluitvorming werd betrokken, had hij te lang achter een bureau gezeten zodat hij de stemming onder het personeel niet meer kon aanvoelen. Daar stond echter heel wat tegenover. Zijn optreden was vergeleken met dat van zijn defaitistische voorganger Dijxhoorn een verademing. Reactionair was hij allerminst. Zo kwam op zijn initiatief aan het eind van de oorlog de MARVA tot stand, waarbij hij afweek van het Britse voorbeeld door gelijke betaling van mannen en vrouwen in te voeren. Ook op Java had hij in '41 een dergelijk vrouwenkorps opgezet, dat toen VROMAR was gedoopt. In zijn beleid ten opzichte van de handelsbescherming toonde hij een grote slagvaardigheid.

Enigszins summier beschrijft Bosscher de marinebemoeienissen met de verdediging van de Antillen en Suriname. Deze materie valt ook een beetje buiten de geografische en chronologische opzet van zijn werk. Nu was de Duitse dreiging in dat deel van de wereld ook niet zo groot, dat daarover veel spectaculairs te melden valt. Van december '41 tot mei '43 maakten in groepen opererende U-boten de Amerikaanse kust onveilig. Naarmate de Amerikaanse tegenmaatregelen effectiever werden, waagden de U-boten zich zuidelijker. Hierbij waren ook tankers bij Curacao en Aruba het doelwit, later ook bauxietschepen voor de kust van Suriname. De toen genomen voorzorgsmaatregelen bleken effectief, temeer omdat de verliezen bij de Duitsers zo groot waren dat ze zich op den duur zulke verre uitstapjes niet meer konden veroorloven. Dat de Duitsers geen aanval op Suriname hebben ondernomen, ligt niet aan de afschrikwekkende werking van Hr. Ms. Claesje en Dirckje, noch aan die van de daar ter bescherming van de bauxietmijnen gelegerde Amerikaanse mariniers.

ACTUEEL

Bosscher heeft niet kunnen bevroeden dat zijn nu afgeronde studie door de Golfcrisis een actueel tintje heeft gekregen. Talloze in de Tweede Wereldoorlog spelende problemen die hij heeft geanalyseerd, zijn van dezelfde orde als de problemen die nu opdoemen of mocht de crisis uit de hand lopen aan de orde kunnen komen. Te denken valt daarbij aan zaken als logistieke- en organisatieproblemen, samenwerking met andere marines, het handhaven van een goede geest aan boord en de verantwoordelijkheid voor beslissingen in acute situaties.

In 1943 voerde de kanonneerboot Soemba patrouilles uit in de Golf, als onderdeel van de 'Hormuz Force' die moest beletten dat U-boten de olievoorziening in gevaar brachten. Daar bleek de zon de grootste vijand voor de mariniers. ' Er waren, ' vertelde de toenmalige Eerste officier aan de Parlementaire Enquetecommissie, ' bijzonder hoge temperaturen, die opliepen tot 50 graden Celsius, en de hitte was zodanig dat men soms witbeslagen was door het zout, dat neersloeg op de huid... Het was benauwd en er was geen afkoeling, des nachts was er een temperatuurverschil van een of twee graden. De mensen leefden daar niet, maar vegeteerden.'

Het is te hopen dat de opvarenden van de twee fregatten die nu naar dat gebied opstomen, onder dergelijke omstandigheden tenminste hun hoofd koel kunnen houden.