'Ik denk dat ik zelf bekeerd ben teruggekomen'

OOSTERBEEK, 25 augustus De kamer van de 83-jarige zuster Theodora Dullaert lijkt wel een uitdragerswinkel. Veel portretten aan de muur, waaronder die van een paar pausen, veel voorwerpen uit de missie waar ze werkte. Ze is bewoonster van huize Vrijland in Oosterbeek. Dat is het bejaardenoord van de congregatie van Mill Hill, een van oorsprong Engelse gemeenschap van missionarissen. Mill Hill herdenkt dezer dagen dat er 100 jaar geleden in het Brabantse Roosendaal een Nederlands huis van de congregatie werd gevestigd.

Dadelijk gaat het lof met rozenhoedje beginnen, waar de zuster in haar rolstoel zal worden heengebracht. Daarna is het avondeten. Het leven hier beweegt zich tussen de vaste uren van opstaan, eten, naar de mis gaan en naar bed gaan.

Zuster Theodora denkt, net als de andere 55 bewoners in Vrijland, vaak terug aan de missie. Ze werkte in Kisumu in Kenia als verpleegster en als vroedvrouw. Ze leidde vrouwen op in de door haar opgerichte huishoudschool. 'Ik vertelde ze dat ze zich niet als slavin moesten laten gebruiken, ook niet door hun mannen.' In 1978 werd ze gedwongen naar Nederland terug te keren wegens ziekte. 'Of ik een klap in mijn gezicht kreeg', zegt ze. Het gebeurde in opdracht van haar overste, die ze 'moeder' noemen. 'Moeder', had ze toen wanhopig gezegd, 'ik kan me hier nog best nuttig maken', maar er hielp geen moedertjelief aan.

Dat is de stelregel, had eerder in Roosendaal 'father' Dirk van Lammeren (67) gezegd: 'Als je ze daar in de weg gaat zitten, dan moet je opkrassen.'

De paters worden met het Engelse 'father' aangesproken. Engels is de tweede taal in huize Vrijland. De meeste bewoners hebben een Engels accent. Van Lammerens koffers staan al weer gepakt. Begin september keert hij terug naar Kenia maar in zijn achterhoofd spookt het wel steeds: 'Vrijland is ook mijn achterland. Ik zal ook op dat eiland terechtkomen. Daar zal ik me dan moeten voegen naar de omstandigheden. Maar het is geen drama, je zit er immers tussen je kornuiten.'

'You have to die in your boots.'.

Dat was de heilige regel van de mannen en vrouwen die namens Mill Hill uittrokken over de wereld om de mensen tot het het katholieke geloof te bekeren. Maar zelfs een missionaris moet wel eens stoppen met werken en dan komt hij meestal terecht in Vrijland. Het ligt in het glooiende land rond Arnhem op een stuk grond van veertig hectaren. Rector/directeur is Jan Swagemakers. 'Dit is', zegt hij, 'een huis met toekomst, omdat we zoveel mensen met een verleden herbergen. Het is de schatkamer van de Mill Hill-ervaring.'

'Ik zie nog wel wat licht', zegt de 90-jarige pater Ivo Stokman, die bijna blind is. Voor een kast hangt een lendendoek met de beeltenis van de paus, een herinnering aan diens bezoek aan Kameroen. Daar werkte de pater van 1927 tot 1984. 'Ik had een inlandse bisschop, die ik in 1931 nog heb gedoopt. Die wilde me niet laten gaan. In Nederland, had hij gezegd, stoppen ze je in een bejaardenhuis. Zelf had ik nog wel drie jaar willen blijven, maar het is hier ook een heel mooi. Ze zorgen goed voor je.' 'Aan je lichaam kan ik zien dat je een ontzettend zwaar leven hebt gehad, ' had de dokter tegen de nu 83-jarige pater P. de Graaff gezegd. Dertig jaar lang heeft hij in Uganda gewerkt. Zijn missiepost was gevestigd tegen de flanken van de 4.000 meter hoge Mount Elgon. Daar woonde hij in wat hij noemt een 'modderhuis'. Hij werkte er onder de Sabe-stam, een herdersvolk. 'Je moest proberen die mensen christen te maken.'

Zijn benen willen niet meer zo best. 'Ik moest steeds die berg op en af, daarom ben ik versleten. Ik heb te veel gelopen.'

Hij droomt nog bijna elke nacht van de missie. 'Dat de auto in de bush komt vast te zitten. Of dat ze mijn school in brand steken, want dat gebeurde herhaaldelijk. Ik had daar te maken met de protestantse zending, die er eerder zat. Een keer had een protestantse inlander op een steen geschreven: 'Dood aan pater De Graaff'. Maar ik was een taaie. Het was een prachtig leven. Ik zei altijd: hier wil ik sterven en wat moet ik nou in Vrijland bij al die krukken?' Het loopt tegen half een. Met een wonderbaarlijke snelheid beweegt De Graaf zich op zijn krukken naar de eetzaal. Aan tafel zit pater Arie Kerkvliet, zes jaar geleden teruggekeerd uit Kameroen. Er wordt in een enorm hoog tempo gegeten. Op weg naar het middagdutje vragen ze elkaar wel eens hoeveel ballen ze in de soep hadden.

In een wit kamertje vult een verzorgster de tientallen potjes met de dagelijkse pillen. In de bijkeuken maakt zuster Helena de boontjes voor de volgende dag schoon. Ze is gebogen van ouderdom. De 33-jarige Wes Hardeveld, de kok, is protestant. Die dient op vrijdag wel eens vlees op, terwijl de missionarissen dan eigenlijk vis behoren te eten. Niemand die er om maalt.

Want Mill Hillers, had regionaal overste J. Beemster in Roosendaal gezegd, zijn 'nogal vrijgevochten'. De Nederlandse regio telt nog zo'n 400 leden, van wie er 200 in de Derde Wereld werken. Er zijn vijf nieuwe studenten. Men kent ook zogenoemde 'Associates', leken die naar de ontwikkelingslanden gaan.

In een gang van het huis in Roosendaal hangen twee kasten waarin rollen zitten, die je met een fietsketting kunt bewegen. Daar staan de fotootjes op van alle 1.248 paters en broeders die in de afgelopen 100 jaar in Roosendaal hebben gestudeerd. Er zitten ook Mill Hillers tussen die sinds 1987 in Australie bij de aboriginals werken. 'We geloven wel in de waarde van het evangelie, maar die mensen hoeven van ons niet katholiek te worden. Als je naast de armen gaat staan, doe je eigenlijk al heel veel. Zelf was ik twaalf jaar in Pakistan, maar ik heb er niet een bekeerling gehad. Ik denk dat ik zelf bekeerd ben teruggekomen', zegt Beemster.

Pater J. van den Dries (80) zat twaalf jaar in de missie in Kenia. Sjefke, zoals ze hem noemen, is doctor in de theologie. Hij rookt een pakje Players per dag. Hij bracht 13 missie-staties van de grond, maar hij was vooral de grondlegger van de boerencooperaties. 'Totdat ik zag dat ze het geld dat ze hadden verdiend, direct opmaakten aan bier en vrouwen. Toen ben ik me gaan verdiepen in de mammon, in het geld. We hebben toen in Kenia de zogenaamde 'Credit Unions' opgericht naar het voorbeeld van de Raiffeisenbanken. Dat is nu een keten die in heel Afrika werkt onder de naam Acosca. Die heeft wel 10.000 kantoren. Toen dat werk gedaan was, ben ik naar Nederland teruggekeerd. Ik ben tenslotte priester en geen bankier.' Hij werd rector van een tehuis in het Brabantse Schayk. 'Ik was daar graag gebleven, maar ik ben behoudend katholiek. Een oude inwonende pastoor stelden ze opeens niet meer op prijs. Ik zit hier nu goed. Ik biljart graag. In een bejaardenhuis moet een biljart zijn, anders is het geen bejaardenhuis. Ik ben heel tevreden over het verleden. Als ik hier zo in mijn kamer alleen zit, denk ik vaak aan de vinger Gods in mijn leven.' De 77-jarige N. Koelman, geboren in Amsterdam, werkte 41 jaar in Zaire. In 1981 keerde hij terug naar Nederland. Hij had kanker aan de alvleesklier, waarvan hij genezen is. Dat was ook de vinger Gods. Met veel spijt vertrok de pater uit Zaire. Terug in Nederland onderging hij de confrontatie met de moderne tijd met enige verbazing: 'De luxe dat je hier alles zo maar kunt krijgen.'

Wijst naar de televisie in de hoek. 'Neem dat ding nou, dat had je daar niet en hier staat het zo maar in elke kamer. Daar had je lange avonden, want om zes uur was het al donker.' Na het lof volgt de avondboterham en praten ze nog wat. En dan wordt het bed opgezocht. Zuster Theodora wordt daarbij geholpen. Ze lijdt veel pijn. Haar vingers zweren achterelkaar af tot stompjes. Het lijkt op lepra, hoewel dat meestal pijnloos is. 'Mijn familie zegt dat ik het wel in de missie zal hebben opgelopen, waar ik als verpleegster leprozen hebben verpleegd. Maar de specialisten houden het op een bloedziekte.'

Ze verdraagt het geduldig. 'Onze Lieve Heer moet doen wat hij wil.'