Het beloofde land; onder die boere

Voorjaar 1990 kreeg Adriaan van Dis na vele weigeringen voor het eerst weer een visum voor Zuid-Afrika. Met zijn oude vriendin Eva Landman reisde hij naar de Karoo, het grote binnenlandse plateau in het noord-oosten van de Kaapprovincie, waar de Afrikaner familie Landman al tweehonderd jaar worstelt met de dorre bodem. In de Karoo zou de zuivere Afrikaner wonen: volgens stedelingen rauw en conservatief boerenvolk met klipharde nagels en een gelooide huid.

Eerste aflevering uit een serie over blanke Zuidafrikanen in tijden van verandering. Ik logeer bij Eva Landman en Sophie is haar bediende. Sophie draagt een witte alpinopet, haar lach maakt haar wangen nog boller. Ze lacht als ze stoft, ze lacht als ze dweilt, ze lacht om haar buik die zo dik is dat ze liggend onder kasten en tafels moet soppen. Om elke voet een plastic zak ze wil haar schoenen sparen een lap in haar handen, zwemt ze als een kikker op de vloer. Eva Landmans planken glimmen. Sophie houdt van Eva, ze noemt haar Madam. Eva zegt Mom. Eigenlijk heet ze Mxaga, dat betekent Schouders. ' Hoe spel je dat?' ' Vergeet mijn echte naam, daar hebben jullie witten geen oor voor.'

Ze lapt schaterend door. Haar billen zijn een buffet. Ze danst door de kamers en het is een wonder dat ze niets breekt want het huis puilt uit van de beeldjes, fotolijsten en schelpen. Eva houdt van vol en van zachte, zoete kleuren. Sophie ook, ze streelt elk frutsel met haar stofdoek: ' Is het niet mooi, wat heeft ze een smaak.'

Ik lig lui op de bank, lees Die Burger en knip de onzin uit. Sophie kijkt toe en wacht op de snippers. Waar ze net geweest is mag het niet meer vuil. Twee keer in de week om half negen staat ze voor Eva's deur. Ze is om kwart voor vijf opgestaan, verlaat om half zes haar huis, loopt twintig minuten naar de bushalte, rijdt een half uur door haar township, loopt nog een stuk naar het station en neemt de trein naar Kaapstad. Om tien voor acht komt ze daar aan en stapt in de bus naar Leeuwkop. Om half negen schalt haar lach door de brievenbus. ' Sophie, doe je dat elke dag?' ' Vijf dagen in de week. Ik werk voor drie mensen: twee dagen voor Eva, twee dagen voor Bobby, een dag voor Mario, een Italiaan. 's Middags ga ik weer naar huis en maak avondeten voor mijn dochter.

Om half tien naar bed. Dat is mijn leven.'

' Vertel me alles over de trein.' ' De trein? De trein is het smerigste ding in mijn leven. Altijd vuil, altijd vol. Ze rijden alleen 's morgens en 's avonds. Wil ik eerder naar huis, dan moet ik met de bus. Van lokasie tot lokasie.

Ik woon in Khayelitsha, in de laatste rij huisjes. Daar stopt geen trein, geen bus. Er zijn geen winkels, er is geen bakker, geen slager, geen kruidenier, niets. Ik doe mijn boodschappen in Kaapstad. Elke dag reis ik met een zware tas en met mijn dochter die hier op Leeuwkop naar school gaat, op een kleurlingenschool gelukkig, ze is zwart maar ze mag nu toch bij de kleurlingen. Ze zit in de eerste klas en weet al meer dan een zwart kind in de vijfde. Zwarte scholen zijn slecht.'

' De trein, vertel me alles over de trein.'

' De trein is vol, ik moet altijd staan. Mijn suiker scheurt in het gedrang. Van mijn eieren breekt de helft. Er zitten altijd schilfers in mijn omelet. Een vrouw die een ruit in Kaapstad kocht, kwam terug met een krant vol scherven. Zo reizen wij. De jongens in de trein roken dagga, 'smorgens om half zeven al, dagga, uit een flessehals. Ze tieren als dronkemannen. Er is geen politie, niemand controleert de kaartjes. Ik moet altijd staan. Zij zitten, roken en knippen met hun messen en betalen niet voor de trein. Ik wel, 28,50 rand per maand. Bij Mario verdien ik vijftien rand per dag. Eva is a very good white, ze betaalt mijn huis af, tweehonderd rand per maand. Ze is als een moeder voor me, zonder haar had ik geen huis. Ze mag het alleen nog niet zien. De muren zijn ruw, geen plafond, geen stopcontacten in de slaapkamer. Een kleine eetkamer, keuken, badkamer, een wc en een binnenplaats van tien bij tien voet. Ik wil niet ondankbaar zijn, maar het dak is van asbest, geen ventilatie, het is klam en als het regent hangen de druppels aan de binnenkant. Ik noem het een stal. Maar ik ben blij dat ik het heb. Want elke dag komen ze bij honderden uit de Transkei. Er zijn geen huizen meer. Ze wonen onder zinkplaten en in dozen. Ik wou licht in de slaapkamer, want mijn dochter moet huiswerk maken, maar ze zeiden: Open je gordijn. We moeten het doen met de straatverlichting die 'snachts altijd brandt. Ze is de dochter van mijn zuster. Ik voed haar op want ik verdien het meeste geld.'

' En met haar zit je in de trein?' ' Sta. Ik druk haar tegen me aan. Zo vast als ik kan, ze mag niet horen of zien wat er in de trein gebeurt. Dat vreselijk gevloek. Ik heb altijd een bijbel bij me om haar uit voor te lezen als we op een station moeten wachten. Ik doe geen stap zonder mijn bijbel en zonder mijn mes.'

' Een mes?' ' Ja, wil je het zien?' Ze rent de trap af, naar haar tas die nog bij de voordeur staat. Ze komt lachend terug met een kleine stiletto dat maar met moeite open knipt. ' Als het gevaarlijk wordt, houd ik het altijd aan de binnenkant van mijn hand. Met de punt eruit, hier, zo, tegen mijn pols. Ik bewaar het in het zijvak van mijn tas.'

Ze laat zien hoe ze in een tel het mes uit het zijvak trekt, zwaait ermee in het rond en prikt in denkbeeldige belagers. ' Als ze kwaad willen steek ik, zoef, zoef'.

Sophie is Kong fu. 'Daar een jaap over je wangen, en jij verkrachter, ik snij je ding eraf.'

Haar lach is een verbeten trek, haar vuist wit gebald. Ze houdt het mes een paar centimeter voor mijn gezicht. ' Soms, als ik de trein uitstap, is mijn jurk vies van iets. Op het station staan de vrouwen vaak hun kleren schoon te vegen. De mannen rijen tegen ons op, open en bloot. Heus, dat doen ze, dat doen ze, zwarte mannen gedragen zich als beesten. Kon de bus maar bij het station stoppen, nu moet ik in Khayelitsha dat hele stuk lopen. Mensen worden daar vaak beroofd. Je ziet schoenen langs de weg, lege tassen, portemonnees, een verscheurde jurk. Vooral vrouwen worden beroofd. Zo gedragen zwarte mensen zich. Het is triest, zo triest, de trein is zo triest. Mijn kleintje mag nooit alleen reizen. Wij zwarte mensen zijn niet allemaal hetzelfde, weet je. Wij hebben niet allemaal manieren geleerd. Velen zijn onopgevoed. Ik weet niet hoe dat moet aflopen. De meesten hebben nooit gewerkt. Wie zal hen later moeten voeden en betalen? Mensen met school zullen misschien van de veranderingen profiteren, maar de meeste jongens hebben niets geleerd. Voor hen zie ik geen toekomst. ' Ze hitsen ons op: Stay away, stay away, don't go to work. Het zijn slechte mensen. Want als ik hongerig thuis zit, wat gebeurt er dan? Zullen ze mij een stuk brood geven? Zij zullen mijn dochter niets leren. ' Ze willen dat we de trein boycotten. Ze maken de deuren van de trein kapot, zodat we allemaal door het raam naar buiten of naar binnen moeten.'

Ze doet voor hoe ze zich door het couperaam wurmt. Gaat met haar buik op een stoel liggen en zwaait met armen en benen. ' Zo wring ik me eruit. Binnen duwen, buiten trekken. Een maand geleden, de dag voor Goede Vrijdag, waren de deuren weer kapot. We moesten er aan de railskant uit, op het perron drongen anderen alweer naar binnen. De vrouw voor mij is toen door een trein gegrepen. Haar hoofd eraf. Arme mevrouw Mbalo. We hebben in de bus gecollecteerd voor haar begrafenis.' Sophie spartelt nog steeds op de stoel. Haar hoofd ter hoogte van mijn sokken, ik met mijn neus op haar in plastic gestoken voeten. Ze kijkt me hulpeloos aan, wiebelt gevaarlijk, de stoel kiepert om. Haar vet breekt haar val en ook een stenen pop. We zoeken lijm.

Samen plakken we het monster. ' Ze is gek op die pop. Ik moet het haar vertellen, ik moet het haar vertellen.' ' Ze zal het niet merken, ' zeg ik. ' Nee, ik moet, ze vertrouwt mij, ik vertrouw haar. De meeste witten vertrouwen ons niet. Wij zijn vreemden voor de blanken, vreemden in hun keuken, vreemden in hun huiskamer, vreemden in hun tuin. Ze weten niets van ons. Maar zij zijn geen vreemden voor mij. Ik weet dat als ik iets breek, dan ben ik een luie, onbetrouwbare zwarte. Dus moet ik extra eerlijk zijn.'

' Haat je ze niet?' ' O nee, ik houd van de witte mensen voor wie ik werk. Ik vertrouw ze meer dan mijn eigen mensen. Vroeger werkte ik voor Mr Nigel. Ik had een sleutel van zijn huis en op een dag is er ingebroken. De buren zeiden dat ik de sleutel aan de dieven had gegeven.'

Ze gaat op een stoel staan, doet voor hoe de dieven een raampje forceerden om bij de deurknip te komen. Weer wiebelt ze, dit keer houd ik haar vast. ' Mr Nigel geloofde de buren. Mijn hart was gebroken. Ja, Mr Nigel haat ik. Van mij mogen ze hem platdrukken in de trein. Maar Mr Nigel is wit en hoeft nooit naar de lokasie. Ik haat hem, ik haat hem.'

' Misschien wordt het beter als de zwarten het land regeren?' Ze lacht me uit. ' Yeah, yeah, als dat gebeurt ben ik allang dood.

Misschien verandert er wat, maar ik ben bang dat meneer Mandela alleen maar zijn maag en de magen van zijn familie vult. Ik heb geen vertrouwen in mijn eigen mensen. De enige die ik vertrouw is Eva.'

' Weet Eva wat er in de trein gebeurt?' ' Nee en vertel het haar niet. Ze zou zich schamen.'

Een dag later rijd ik met Eva in de auto richting Karoo. Borden wijzen naar Khayelitsha. Ik durf haar niet te vragen bij Sophie langs te gaan. ' Wat betekent Khayelitsha eigenlijk?' ' Gelukkige woning, ' zegt Eva. Ik kijk links en rechts naar de krotten. Eva kijkt star voor zich uit. Eva Landman is een Afrikaner. Ze heeft me uitgenodigd haar familie te bezoeken. Moeder, broers, zus, ooms en tantes, neven en nichten, echt en aangetrouwd. De Landmans wonen al negen generaties in Zuid-Afrika. Eind zeventiende eeuw sprong haar stamvader, een matroos op koers naar Oost-Indie, bij de Kaap van boord. Toen hij aan wal kwam, kuste hij de grond en zei: ' Vanaf nu ben ik een landman.'

Hij meldde zich bij de Compagnie en vestigde zich een paar jaar later als Vrijburgher in een vruchtbare vallei in het Kaapland. Hij plantte wijnstokken en schreef zijn nieuwe naam in de Statenbijbel: Libertas Landman. De wijngaard verdween onder een groeiende stad. Eva's tak trok naar de Karoo, het grote binnenlandse plateau in het noord-oosten van de Kaapprovincie. Karoo komt van een Khoikoi (Hottentot) woord en betekent droog of onvruchtbaar. De grond is rijk, maar de droogte laat er weinig groeien. Het merendeel van de bewoners zijn Afrikaner schapenboeren. De mensen uit de stad noemen ze rauw en conservatief.

Er is vrijwel geen dorp in de Karoo of er woont een Landman. De windversleten heuvels - koppies -, bergketens en droge rivieren bakenen hun landerijen af. Overal zullen we welkom zijn, ook bij verwanten die Eva nooit zag, want haar familie laat zich leiden door Hebreeen 13: 2: ' Vergeet die gasvrijheid nie, want daar deur het sommige sonder om dit te weet engele as gaste geherberg.'

Eva's familie boert al tweehonderd jaar in de Karoo en elke man eert in zijn naam stamvader Libertas. Geen oudste zoon is aan het land ontsnapt. Eva zegt dat je het aan haar bouw kan zien: armen die het dolste schaap kunnen keren, klipharde nagels en een gelooide huid van generaties werken in het open veld. Een voordeel in haar vak, vindt Eva, want ze is arts. Ze haalt bij nacht en ontij de dwarste baby's. Ik ken Eva uit Nederland. Ze studeerde medicijnen in Leiden. We vertaalden samen Afrikaanse poezie en al was ze tien jaar ouder, we raakten innig bevriend. Na haar promotie keerde ze terug en begon een praktijk in Kaapstad.

Zeventien jaar hebben we elkaar niet gezien, voor het laatst in Stellenbosch, het universiteitsdorp nabij Kaapstad waar ik in 1973 een paar maanden studeerde. Doctor Landman was toen een gezeten burger geworden. Het contact was moeizaam, toch zijn we altijd blijven schrijven. Naar Nederland wilde ze nooit meer toe. Ze heeft er een hekel aan altijd rekening en verantwoording voor haar land te moeten afleggen. ' In Holland zagen ze me als vertegenwoordiger van een regime, nooit als mens. Ik ging er dingen verdedigen die ik niet wilde.'

Voorjaar 1990 krijg ik na vele weigeringen voor het eerst weer een visum voor Zuid-Afrika. Verboden politieke partijen zijn gelegaliseerd, Nelson Mandela is bevrijd. Witte en zwarte leiders praten met elkaar. In de steden ontstaan 'grijze gebieden', witte straten en huizen krijgen meer kleur. Maar er woedt ook opstand in het land. In Zuid-Natal vechten de Impi's van Mangosothu Buthelezi tegen de comrades van Nelson Mandela. Wat begon als een strijd van radicale jongeren uit de stedelijke gebieden tegen Buthelezi's macht op het platteland ontaardt in een stammenstrijd tussen Zulu en Xhosa. Tegenstanders gaan elkaar met kapmessen en speren te lijf. Mensen, huizen en scholen worden in brand gestoken. De armoe in de zwarte woonwijken van Natal is de grootste in het land. Geen partij weet het geweld te keren. Een burgeroorlog dreigt. Ook de blanken staan tegenover elkaar. De conservatieven verzetten zich tegen de machtsdelingpolitiek van president Frederik de Klerk.

Extremisten roepen op tot gewapend verzet. In Pretoria is een legerdepot beroofd en in Transvaal wapperen de swastika vlaggen van de Afrikaner Weerstands Beweging. Blanke leiders maken zich sterk voor een wit thuisland. Niemand weet waar dat paradijs moet komen, maar in rechtse kranten en blaadjes lees ik pleidooien voor de Karoo, daar woont nog de zuivere Afrikaner. De Boer in gevecht met zijn grond. ' Karoo, die beloofde land', zegt een kop in Die Patriot, de spreekbuis van de Konservatiewe Partij (KP). Dus op naar het voorland. Sophie zorgt voor de planten. Over de Cape to Cairo road, de droom van Cecil Rhodes (Your hinterland lies there, staat onder het beeld van Rhodes in de Compagnies tuin in Kaapstad, maar hij is verkeerd op zijn sokkel gezet en wijst naar zee), nu is het de snelweg naar Johannesburg. Voorbij Beaufort Wes passeren we 'die ou-wapad', waar eens trekboeren en vroegere reizigers van de Kaap naar de Oostgrens trokken. Hier en daar zien we nog een rood aarden spoor tussen de bosjes. Uit de lucht verbeeldde ik me een duidelijke streep te zien, alsof de wind een monument heeft geetst ter herinnering aan de eerste Trekboeren op zoek naar weidegrond en wild, aan hen dankt de Kaapprovincie haar huidige grenzen. Zeventien jaar geleden liftte ik door de Karoo, razend over de hoofdweg maar verlangend naar een zijpad. Dit keer vloog ik eroverheen en toen het vertrouwde landschap onder mij lag, gebeurde er iets vreemds in mijn hoofd. Mensen die ik in Nederland niet meer uit mijn geheugen kon opvissen, stonden me ineens helder voor de geest. De bruine jongen in de bibliotheek in Kaapstad, het enige overheidsinstituut waar de apartheid nooit werd doorgevoerd. Hij heette Jacob en hij noemde zich zwart. Ik zat uren met hem op de trap te praten, want in de stad konden we nergens met elkaar eten. Hij haatte de Afrikaners en toch sprak en bestudeerde hij hun taal. Hij onderzocht de 'zwarte geschiedenis' van het Afrikaans en ontcijferde een Arabische religieuze tekst, geschreven in fonetisch Afrikaans opdat de imam zich voor de Kaapse slaven verstaanbaar kon maken. Het was de oudste en eerste tekst in het Afrikaans. Jacob wond zich op dat het Afrikaner Nationalisme zich 'die taal' had toegeeigend. Hij zei: ' Ik geloof dat er geen taal is in dit land, behalve dan in de uitgestorven talen van de Khoikoi en de San (Bosjesmannen) .

die onze ervaringen zo kan benoemen. De mensen, de dieren, het veld en vooral het onrecht.'

Ik hoorde Jacob weer praten en ik hoorde ook de stem van mijn oude hoogleraar uit Stellenbosch in mijn hoofd: W. E. G. Louw, de enige Afrikaner die bekakt Hollands sprak. En ik zag de gezichten van mijn medestudenten: de slurpende Liza die mij, na een dag in Zuid-Afrika, tijdens de koffiepauze zei: ' Ek hou nie van Kaffers. Hoe kan ek my assosieer met bobbejane wat nie 'n vurk kan vashou nie'.

De stopwoorden van mijn hospita in de DuToitstraat: ' eeh eeh watse naam' en ' daar die klasse van dinge'.

En alle ruzies die ik met Eva had. Haar praktijk in Kaapstad had een voordeur voor blanke en een achterdeur voor bruine patienten. Ze leek zich zonder wroeging te schikken in de onzin van haar land. Nu heeft ze een voordeur en in haar wachtkamer zitten patienten in alle kleuren, letterlijk want bij mijn aankomst zat er een albino neger met een brandwond en een blanke punk met groen haar. Eva kan zich bijna niet meer in vroeger verplaatsen, maar toen verdedigde ze haar achterdeur: ' Ze willen niet anders. Ze voelen zich niet thuis in een deftige wachtkamer. Ze zijn vaak ongewassen en het is onhygienisch schone patienten aan ze bloot te stellen.'

Ze had gehoopt dat ik het zou begrijpen, dat mijn kritiek na een paar weken Zuid-Afrika zou afnemen. Ze liet me kennis maken met de complexiteit van haar land, ze reed met me naar de lokasie, nam me mee langs door drank aangetaste gezinnen, liet me praten met onderwijzers (hoger kende ze niet), arbeiders en ongeschoolden die elk geschil met een mes wilden beslechten. Ik kwam in een krot waar een meisje van veertien haar tweede kind van een onbekende vader baarde en Eva zei: ' Er is nog zo'n lange weg te gaan. Ze kunnen niet voor zichzelf zorgen. We moeten ze helpen.'

Ik schold op haar helpende hand. Toch hielden we nog ingewikkeld van elkaar en we sloten telkens weer vrede boven tafel en in bed. Ze leerde me bobotie maken, een Kaaps-Maleis gerecht van lamsgehakt met noten, abrikozen en twaalf verschillende kruiden en ze trakteerde me op ystervark vel, het delicate speldekussen van het stekelvarken. Een geheim recept van de Landmans en een specialiteit van de Karoo. Voor ons vertrek heeft ze haar moeder gebeld om een stekelvarken te laten vangen, want het vel moet eerst twee dagen in de azijn. ' Hulle sal die distrik omkeer, ' zegt ze, ' ze zien bijna nooit een buitenlander.'

Eva is gespannen. Ze komt nog maar weinig thuis. Een verblijf in het buitenland, haar doctorsgraad en haar intellectuele levensstijl hebben haar van haar familie vervreemd. Ze schamen zich voor haar geleerdheid, waarom koos ze niet voor een leven op die plaas? Ze was het liefst gaan schilderen. ' Maar, ' zegt ze, ' jij kan nie die boere laat betaal dat ek kaal mense teken.'

Eva is nog steeds ongetrouwd. Een uitzondering in haar familie, en vooral onder Afrikaners. De zwarten mogen aanrommelen, wie wit is gehoorzaamt het huwelijk. Zuid-Afrika heeft het hoogste aantal echtscheidingen ter wereld. Eva's zus en nichtjes zijn allemaal voor hun twintigste getrouwd en allemaal gescheiden. De meesten wonen op de boerderij - die plaas - of op een dorp. Eva ziet het plattland liever door een lens. Als we op een winderige heuvel staan en ze naar de zwarte, blauwe en roze schaduwen op de bergen wijst, zegt ze met toegeknepen oog en vinger op de cameraknop: ' Verwacht niet te veel en hou je in. De Karoo is ontvolkt, droogte teistert de boeren. Er zijn al zoveel plase verlaten. Armoe heeft de mensen er niet verlichter op gemaakt.'

' Ik zal schrijven en zwijgen, ' zeg ik. ' Je moet kijken en niet zoveel vinden, ' zegt ze. ' Aan meningen hebben we hier geen gebrek.'

Mijn vulpen hapert, de wind droogt de inkt sneller dan ik schrijf. ' Wacht tot de warmte je hoofd zacht maakt, pas dan snap je deze wereld.'

Ze bukt en breekt takjes en halmen af, wrijft ze fijn tussen haar handen. Terpentijn, mimosa, honing, zuring en zoutblad. Deze leegte heet die veld en alles wat groeit is een bossie, gele en bruine hei-achtige struikjes. Soetgras, rooigras, Boesmangras, klein en wit hasballas (een vetplant met blaadjes in de vorm van hazeballen), bokdorings en kanniedood. Elke spriet roept een herinnering op.

Kind-zijn op Swaelvlei, de familieplaas, tientallen kilometers van een dorp verlaten. Daar liep ze de eerste zeven jaar op blote voeten en nu weer moeten haar schoenen uit en knort ze tevreden als het eerste duwweltjie, een tweetandig doorntje, in haar voetzool prikt. Een door de wind losgedroogde prikstruik klit zich vast aan haar jurk, 'een rolbossie'. De weg voor ons is een trillend zwembad. We rijden uren door hetzelfde landschap. De borden langs de weg, die naar een pad landinwaarts wijzen, vertellen hoe zwaar het boeren is in dit dorre veld: Houmoed, Droogfontein, Sandkuil, Stoppelvlei, Beskuitkuil, Droeput, Hongerfontein, Taaibos. ' Hier groei boggerol so hoog, ' zei Eva's vader over deze streken - borsthoge leegte. Haar vader boerde duizend kilometer verderop, waar als het regent de grond goed geeft. Elke dag behalve zondag reed hij naar de vier uithoeken van zijn plaas, om te controleren dat er geen tiekie van zijn land was afgekaapt. Op een dag vonden ze hem dood naast zijn paard.

Hartstilstand, zijn onderlijf was aangevreten door een jakhals. Uys, de oudste, nam de familieplaas over. Niet voor lang, want sinds pa's sterfdag bleef de regen op Swaelvlei uit. Hij verkocht de boel en boert nu aan de oostgrens, op de rand van de Ciskei. Het vruchtbaarst is hier nog de mens. Of zoals een dronken man ons in een kroeg in Prince Albert zei: Geen bok, geen schaap, geen gras, wel veertien kinderen: ' Ek boer maar op die enigste nat plekkie wat ek ken.' Waar we stoppen, klagen de mensen over droogte. ' We zijn al vier duim regen achter, ' zegt een man in De Rust, ' alle jongeren trekken weg, wat overblijft zijn kaffers en hotnots. De Karoo verbruint, voor een mens is hier geen bezigheid.'

Wie niet meer boert, werkt aan de weg: seinpalen verven, windpompen repareren, werk dat elders door zwart en bruin wordt gedaan. 's Avonds hangen de mannen in de take away. Wit bij de kassa, bruin bij het raam. De Rust is te arm voor gescheiden lokalen. De rijken en de liberalen in de grote stad kunnen met de mond integratie belijden en apart gaan eten. Dit dorp moet een straat, een hotel, een snackbar met alle bewoners delen. Het lukt ze ogenschijnlijk ook nog, maar volgens Eva stemt iedereen KP. Hier is bruin nog een hotnot, zwart een kaffer, al weten ze allemaal beter. ' Pas op vir die kwaai volstruis, ' waarschuwt de postmeester me tijdens de avondwandeling voor het hotel, ' gister het hy nog die binnegoed van 'n kaffer, eh ekskuus tog, swartman uitgetrap.'

Eva vindt dat ik onhandig netjes doe. Ik laat de bruine werksters voorgaan in het hotel, en ze vallen dubbel van de lach: ' Ag nee baas, ag nee baas, toe.'

Ik schud handen als een ouderling en de bedienden deinzen achteruit. Eva schudde haar eerste zwarte hand pas in Amerika, toen ze daar na haar middelbare school een jaar studeerde. ' En ik schreef in mijn dagboek dat hij stonk. Ik schreef het in mijn kinderlijke onschuld en eerlijkheid, als een verdediging voor mijn onzekerheid, alsof die geur alles rechtvaardigde wat in ons land gebeurde. Dat dagboek heb ik nooit meer durven inzien.'

Nog steeds zegt ze je en jij tegen elke pompbediende, die als ze vullen dikwijls Pompie heten en als ze wassen Lappie. Namen die ze elkaar graag onderling geven of die de baas voor hen kiest. Zoals ook de meeste bedienden een mooie Engelse naam hebben omdat de inheemse namen een witte tong doen struikelen. ' Hoe heet je?' vroeg mijn hospita in Stellenbosch aan het nieuwe meisje dat zich kwam voorstellen. ' Simakahle Ndebele, mevrouw, ' haar tong klakte. ' Nou, dat is te moeilijk, ik noem je voortaan Dusty.'

Na een paar dagen zeg ik ook maar je en jij, u is alleen voor de rechter. Er is zoveel waar je je spoedig bij neerlegt in dit land, ook omdat je je in je verzet zo dwaas voelt. Een eigenwijze Europeaan die de mensen hier weleens even zal leren hoe je met elkaar dient om te gaan en die zich stoort aan gedrag dat hij thuis niet wil zien, of die contact zoekt met mensen die hij in zijn eigen land vermijdt. Wanneer sprak ik voor het laatst mijn Turkse vuilnisman? Langzaam leer ik Oom te zeggen tegen een blanke met wie ik op vertrouwde voet geraak. Oom tegen de boer in Rietbron, zittend op zijn stoep, pijp in de mond en velskoene aan zijn voet, die vertelt dat hij geen opvolger voor z'n plaas kan vinden. Zelfs zijn knechten weigeren de pacht over te nemen, want ' watter bruinman wil nog op daardie droogteplek kom sit.'

Oom is de man in de koffiekroeg van Willowmore, die over zijn grote liefde vertelt. Zevenendertig jaar geleden in Suid- Wes ontmoet en op de ochtend van hun trouwen op weg naar de kerk verongelukt. Als teken van rouw en eeuwige liefde heeft hij toen zijn ringvinger afgesneden. Hij is al dertig jaar met een ander getrouwd. ' Maar na zo'n tijd kan je een vrouwmens niet meer weg doen.'

' Zoals een vinger?' vraag ik. ' Man, sy is kwaai, sy is een doodbeen aan my lyf.'

Ik schud ze de hand en ze vertellen mij hun hele leven. Zoals Mr Wellwood, een Engelse boer die met ons door zijn plaasdagboek bladert. De eerste regel is van 1840, geschreven door zijn oupagrootjie, een van de eerste Engelse settlers in de Karoo. Mr Wellwood just boers for fun. Zonen doen nu het werk. Zijn tong schoot hier wortel, insekten noemt hij gogga's, een luie knecht een asgat en als hij zich stoot zegt hij net als alle Afrikaners: 'Eina!' Het dagboek verhaalt van droogte en voorspoed. In de eerste jaren heeft de dood de overhand: de strijd tussen Boer en San. ' Mijn grootvader zette geen stap op het land zonder geweer. Ploegen, zaaien en oogsten ging altijd gewapend. Hij hield hele lijsten bij van door Bosjesmannen gestolen vee. Wat ze niet uit de kraal kregen, schoten ze dood.' Moeizaam spelt hij het verslag over de Bushman die zich in een kuil op de plaas had verschanst. Daar schoot hij op alles wat wit was. Drie boeren omsingelden hem, gebukt achter een schild van koeiehuid. Een kreeg een giftige pijl door zijn hoed. In drift schoot hij de kleine jager dood. Toen ze hem uit zijn kuil tilden, bleek een van zijn vingers tot op het bot ontveld van het trekken aan de snaar van zijn boog.

Lang duurde de triomf van de boer niet, want het gif was door zijn haar in zijn huid getrokken. Vijf dagen later stierf hij aan verlamming en koortsen. ' For them the Bushman was wild, ' zegt Mr Wellwood. Hij stuurt ons met twee knechten, Tollie en Jafta, naar de San-grotten op zijn plaas. Hij is te oud voor de klim. Tollie en Jafta rennen voor ons uit. Ze hebben nog de trekken van hun voorzaten, een abrikoosgele huid en prachtige amandelvormige ogen. Geen wonder dat de eerste kolonisten dachten dat ze uit een ver Oosten kwamen en ze Chinese hottentotten noemden. Waar het pad zwaar is wachten ze lichtgebogen, onderdanig, maar in de grot strekken ze hun rug en groeien zichtbaar als ik gebogen mijn bewondering voor de tekeningen toon.

Roodbruine mannetjes tegen een goudgele achtergrond. Jagend, dansend, vechtend of slapend. Boven hun hoofd vliegende bokken, de droom van een jager. Giraffes, buffels, struisvogels. Nergens een plant, een boom of een vis, iets dat duidt op een groen verleden. Vroeger bestond dit land uit moerassen en water. De Karoo was een weids meer, gevoed door noordelijke rivieren die een zee van modder over deze vlakten braakten. Een voedplaats voor miljoenen reptielen, groot en klein. De modder droogde op en verborg hun botten in rotsharde steen. De tekeningen zijn vijf misschien wel twintig eeuwen oud. Maar hoe oud zijn de fossielen wel niet die Jafta en Tollie voor ons ophouden? Eva bestudeert de beenderen en schedels zoals een chirurg een bot bewondert. Kaken van grasetende draken, van een kruising tussen krokodil en nijlpaard. ' Hoe oud?' vraag ik Jafta. Zo oud als Van Riebeek denkt hij. ' Zo oud als de bijbel, ' zegt Tollie. ' Magtag, magtag, ' Jafta schudt zijn hoofd. ' Zo oud?' ' Tweehonderd miljoen jaar, ' zegt een hijgende Mr Wellwood, die het toch te onaardig vond om ons niet zelf rond te leiden. ' Magtag, magtag, ' zegt Jafta. ' Die Karoo is darem net te oud.' Dat hun streek zo oud is, gelooft nu iedereen. Een paar jaar geleden vond een bejaarde boer langs het wapad nog een fossiel in de vorm van een schroef en hij was er niet van af te brengen dat de schroef uit de ark van Noach kwam. Als ik bij terugkomst het stof van de wandeling van me af wil spoelen, krijg ik in de keuken een tik op mijn vingers. ' Nooit je handen wassen onder stromend water, ' zegt Eva. ' Eerst zepen, dan spoelen.'

Waar eens monsters in de meren baadden, wordt nu het theewater kopje voor kopje in de ketel afgemeten. Ik begrijp ineens waarom ik geen hoteltrap kan opgaan zonder zeegezichten met witschuimende koppen en snotgroene golven, of meren omzoomd door groene sparren en besneeuwde bergen. Luchtspiegelingen van droogtelijders. In de verbeelding nat, maar zelden werkt het bad. We drinken thee met zoute koekjes tussen de dahlia's en de rozen. In bloei dank zij emmers water uit een drie mijl verderop gelegen put.

Jafta en Tollie halen ze dagelijks met de donkiekar. Ons respect voor zoveel groen in dit bruin en stoffig dal maakt Mr Wellwood plotseling somber. ' Wie sal oor hier die dinge waak?' zegt hij in gedragen Afrikaans. ' Hoe bedoelt u?' vragen we. ' When they take over.'

' Polletiek' - het onderwerp is onvermijdelijk. ' Niet hier, ' fluistert Eva. ' Ag, ' zegt Mr Wellwood, ' if the sex is good, it takes up ten percent of your time, if the sex is bad it takes ninety percent of your time. And that is the same with politics.'

Het lukt me niet meer ruzie te vermijden. In een frons ziet Eva al kritiek. Het is een landelijke kwaal: wie niet op alle vlakken vriend is wordt onmiddellijk als vijand beschouwd. Zelfs een praatje met een kind is al beladen. In Aberdeen hoepelen twee bruine kinderen onder een boom. ' Baas dra een mooi bril, ' zegt de kleinste. ' Dankie dankie, ' zeg ik, ' woon jullie hier?' ' Ja ons bly op die uitbreiding.'

Dat is de lokasie, de kleuringenwijk buiten het dorp. In een notedop hoor je de verscheurdheid van dit land. De kleine heet Jonas, de oudste Samuel. Hij is het voorkind, de zoon die de moeder mee in het huwelijk bracht, vader onbekend. De vader van Jonas werkt in die Boland, een vruchtbare streek niet ver van Kaapstad. ' Wat doen pa daar?' ' Hy verdien.' 'Sien jy hom dikwels?' 'Een maal 'n jaar.'

'Geniet jy dit?' 'Nee, dan drink hy wyn.'

'En jou ma?' 'Sy het ook eers gedrink, maar sy het dit nou gelos.'

Nu scheldt ze hem uit. 'Pa is baie ongeschik, ' zegt Jonas, 'hy is vol polletiek.'

'Waaroor praat hy dan?' 'Oor Mandela.' 'Wat weet julle van hom?' 'Hy gaan vriende maak. Met ons.'

' En die witmense?' Ze lachen verlegen. 'Hulle gaan oorsee.'

Jonas en Samuel hoepelen het plein af. Om de hoek zingen ze: 'Mandela, Mandela, Sisulu. Sisulu.'

Eva moet huilen. Ze huilt makkelijk. 'Jou blaas is te na aan jou oe, 'zei haar vader altijd als ze weer eens snel om iets moest snotteren. 'Misschien wijst Rhodes toch de goede kant op, 'zegt ze. Als de bomen alweer lang achter ons liggen en ik uitkijk naarvolgend groen, want Eva zegt: 'Waar bome is is daar 'n plaas', stopt ze plotseling in het kale veld. 'Springbokken.'

Niet een, niet een paar, maar honderden, tegen de heuvels, hun hoeven als speren gestrekt, hun rug een boog. Ze raken de grond, springen na een seconde weer op. Ze schieten door de lucht alsof het veld een trampoline is. Bij elke sprong veranderen ze van kleur. Van romp tot nek schittert een haarvleug in de zon. Bruin bij het dalen, wit in hun vlucht. Wit bruin, wit bruin, als kerende handen. Eva knijpt in haar camera, maar vergeet in de lens te kijken. 'Ze drinken de lucht,' zegt ze. Ze kunnen dagen zonder water, leven op vetplanten en de bloemen en de blaren van de witgatboom. Vroeger, in die outyd, waar elke bewoner hier zo vol van is, waar zelfs een schoolkind over vertellen kan (er is zoveel 'vroeger' in Zuid-Afrika) trokken de bokken soms bij duizenden door het veld. Weg van de droogte, verlangend naar rgen, renden ze naar de kust, door Bushmanland en Namaqualand, over de bergen en stortten zich in zee. Bergen lijken langs de kust. De Karoo, hoe weids en woest ook, kent nu hekken en wegen, en de springbok trekt niet meer. 'Vreemd dat juist vrijheid hen de dood in dreef, 'zegt Eva. Nou gaan jy die bloody verskiet sien, 'zegt Eva. We naderen Groendraai, de plaas van Eva's broer Uys. We rijden op een zwart haartje, een lijntje op de kaart. Zwarten lopen langs de weg. Een vrachtwagen met werkvolk is beplakt met Welcome Mandela-stickers.

Elk dorp heeft hier zijn Soweto, weggestopt achter een berg. De zwarten zijn de krachtbron, zonder hen zou geen dorp of plaas hier kunnen bestaan. De bestuurder van een ons passerende Toyota bakkie denkt daar anders over. Op zijn achterruit staat in duimgrote letters: 'AIDS, the white man's hope.'. Toen de Hollanders de Kaap in bezit namen, troffen ze de Khoikoi aan de kust en de San in de binnenlanden. De eersten waren langer dan de tweeden. Ziekte, moord en slavernij hebben de twee volken nagenoeg uitgeroeid. Vermenging heeft hun oorspronkelijke trekken vrijwel uitgewist. Omdat het onderscheid tussen Khoikoi en San ook voor geleerden niet meer duidelijk is, spreekt men nu van Khoisan. Een zogenaamde kleurling kan Khoisan-achtergronden hebben, maar is veelal ook ontsproten uit een verbintenis tussen geimporteerde slaven, zwarten en witten.