Een oorvijg voor Karl Kraus

Omdat een mens wel eens iets anders aan zijn kop wil hebben dan de aanstaande Derde Wereldoorlog besloot ik, bij wijze van tijdverdrijf, een onderzoekje in te stellen naar de legendarische lel die Felix Salten (1869-1947) ooit aan Karl Kraus (1874-1936) heeft uitgedeeld.

Zij waren beiden betrokken bij het literaire leven van het Wenen rond de eeuwwisseling. Salten, toneelredacteur van de Neue Freie Presse, was een gearriveerd man, de jonge Kraus stond daarentegen nog op de drempel van zijn carriere. Zij hadden slechts een ding gemeen: zij frequenteerden beiden, zoals trouwens heel letterkundig Wenen, het fameuze cafe Griensteidl, een ogenschijnlijke broedplaats van geest en intellect, die in werkelijkheid vond Kraus het brandpunt was van 'talentloosheid, pose, grootheidswaan, aanstellerij, monocledragers en verkeerde naamvalsverbuigingen'. Dit cafe Griensteidl inspireerde Kraus tot meervoudige vadermoord, op het breukvlak van 1896 en 1897 in diverse afleveringen gepleegd in de kolommen van de Wiener Rundschau. Het voornaamste slachtoffer was de cultuurpaus Hermann ('de Oscar Wilde van Wenen') Bahr, met Felix Salten als goede tweede. Saltens reputatie werd tot zijn ontsteltenis door die baardeloze vlerk (22) tot de fundamenten toe afgebroken. Kraus noemde hem 'een geestelijke parvenu' die 'alles van zijn letterkundige lotgenoten heeft afgekeken'. Het duelleren, een oude koninklijke en keizerlijke traditie, was inmiddels van overheidswege verboden. Dus koos Salten voor een moderne, burgerlijke wijze om zijn eer en goede naam te verdedigen. Hij trad Kraus als de wrekende gerechtigheid tegemoet en gaf hem een oorvijg, waarvan de echo tot ver in de voorsteden van Wenen te beluisteren viel. De klap dreunde na in de dagboeken van Arthur Schnitzler: 'Gisteravond heeft Salden de kleine Kraus in het koffiehuis een oplawaai gegeven, die over het algemeen met veel instemming is ontvangen.'

Was het desbetreffende etablissement wel of niet het voornoemde cafe Griensteidl? Ik heb er vier standaardwerken over het Weense koffiehuis in heden en verleden op nageslagen, zonder veel wijzer te worden. Cafe Griensteidl verkeerde in die tijd in zijn nadagen. Op 21 juli 1897, op het hoogtepunt van de oorlogshandelingen, zou het worden afgebroken. De avond daarvoor verzamelde letterkundig Wenen Hermann Bahr, Arthur Schnitzler, Richard Beer-Hofmann, Hugo von Hofmannsthal, Felix Salten en Karl Kraus zich voor de laatste keer rondom de stamtafel. 'Omstreeks middernacht was de spijs en drank geheel opgesoupeerd, zodat men gedwongen was de tijd te doden door met elkander op de vuist te gaan', berichtte het Illustrierte Wiener Extra-Blatt. 'Gustav, de weldoorvoede kelner, deed ten laatsten male zijn plicht door, kort voor de laatste ronde, in te grijpen toen een aanhanger van het jongste Jonge Wenen de aandrift niet kon weerstaan een oorvijg te provoceren, die vervolgens hard is aangekomen', meldde Die Vornehme Welt.

De provocateur was andermaal Karl Kraus. Die man die zich had laten provoceren was andermaal Felix Salten. Waaruit mag worden afgeleid dat er, anders dan ik veronderstelde, uiteindelijk geen sprake van een, maar van twee oorvijgen is geweest. Het bovengeciteerde tijdschrift Die Vornehme Welt was niet zomaar de eerste de beste periodiek, het was niet meer of minder dan 'een geillustreerd tijdschrift voor maatschappij, kunst, wetenschap, literatuur, mystiek, sport, reizen, toerisme en industrie'. Nochtans zijn ervan (van 7 januari tot 25 maart 1897) slechts twaalf afleveringen verschenen. Hoofdredacteur was ene Felix Beraton, een zelfbenoemde alleskunner die acteur, medicus, koopman, dichter, kunstcriticus, schrijver en schilder pretendeerde te zijn. Die kon dus onmogelijk in Kraus' satirisch feuilleton ontbreken. Ook hij werd genadeloos neergesabeld. 'Uit de kring jonge talenten die eveneens niet kunnen schrijven, dient zich een individu aan dat zich onderscheidt door een weldadig aandoende veelzijdigheid: behalve niet schrijven kan hij ook niet schilderen.' Dat was dus de schrijver-schilder Felix Beraton.

De Kraus Hefte van januari 1978, een specialistenblad voor kenners en liefhebbers, heeft het artikel uit Die Vornehme Welt opgegraven waarin de beklagenswaardige Beraton een poging deed Kraus van repliek te dienen. Wij, posthuum oordelend, weten dat het een bij voorbaat verloren strijd is geweest. De jonge Kraus had een grote toekomst voor zich, terwijl de talentloze Beraton nauwelijks op een verleden tijd kon bogen. Men leze zijn machteloze tirade tegen 'die kleine, ergerniswekkende vlerk', die 'al jaren probeert zich een plaatsje in de journalistiek te veroveren, maar overal prompt aan de dijk wordt gezet'. Onbegrijpelijk dat deze Kraus een krant zo gek had gekregen om plaats in te ruimen voor een serie 'even boosaardige als kwaadaardige' artikelen betreffende het Weense letterkundige leven. 'Dit is inmiddels bestraft door een tuchtiging, hem toegediend in een onzer bekende koffiehuizen. Volkomen verdiend! Uit is het met hem! Geen mens wenst meer met Kraus aan een tafel te zitten! In geen enkele woning is hij meer welkom! Hij is meer dan bevredigend gevonnist!' Dat moet dus lel-nummer-een zijn geweest. Nog hetzelfde jaar bundelde Kraus zijn artikelen onder de titel Die demolierte Literatur, tevens een verwijzing naar het Literatencafe dat inmiddels inderdaad was afgebroken. Even grondig als de reputatie van Felix Beraton en Felix Salten.

Beraton leeft slechts voort in de voetnoten van de voetnoten der literatuurgeschiedenis. Salten is inmiddels voornamelijk bekend dank zij zijn kinderboek over het hertejong Bambi en zijn werkzaam aandeel in de anoniem gepubliceerde gedenkschriften van de Weense deerne Josephine Mutzenbacher. Karl Kraus redigeerde op zijn beurt zesendertig jaar, negenhonderdtwintig afleveringen en twintigduizend pagina's lang Die Fackel, het eenmanstijdschrift dat hem berucht, omstreden, gevreesd en wereldberoemd zou maken.