Een haaknaald licht het rooster van het doucheputje

Debuterende schrijvers reisden op verzoek van deze krant naar een plaats in Nederland of Belgie die hen al lang fascineerde. In het twaalfde, laatste verhaal laat de schrijfster een van haar romanpersonages naar Oudeschoot reizen. Wat een dag, wat een dag Geachte lezers. Tot u spreekt Lenie Commandeur van de Kalfjesweg nummer zeventien, de vrouw van Louis Commandeur, trambestuurder op lijn drie. Eindelijk thuis. Het leven is hard, mijn wasgoed ook. De lakens hangen al de hele dag in bevroren toestand aan de lijn. We hebben last van Luis, ik heb het opgelopen op een van mijn schoonmaakadressen, waar doet niet ter zake.

Even tussendoor: het meest probate middel tegen luis is de lakens voor twee dagen in de diepvries te stoppen. Terwijl ik ze vanochtend op de waslijn tilde, werd ik lastig gevallen door Salko. Salko Sondervan, de vredestichter op wie ik verliefd was. Was. 'Zo geplaagde huisvrouw', zei hij en wees naar de waslijn. 'Valt het vuil je zo zwaar, zonder mij?' Ik ging er niet op in. Uit is uit, dacht ik. Voor mij geen seks met de ex, stop hem maar in de biotex. Om u de waarheid te zeggen, ik heb bij Salko luis opgelopen, toen ik voor de laatste keer zijn piano water gaf.

'Kom Movavedo', zei hij. 'Zeg eens iets.' Movavedo? dacht ik en slikte mijn tranen in. Ik de moeder van vele dochters? Had ik er maar een. Maar dat bedoelde hij niet. Weet u wat hij met Movavedo bedoelde? Moeder van vele doeken! Toegegeven, ik heb er heel wat: stof-vaat-hoofd-hand-poets-thee-zak- en allesdoeken, maar hij heeft er meer. Hij schildert sneller dan mijn centrifuge kan draaien. Zijn doeken puilen het atelier uit, als u me begrijpt. Hij exposeert het liefst in het donker omdat, zegt hij, zijn doeken genoeg licht van zichzelf uitstralen. Als u het mij vraagt, kunnen ze het daglicht niet verdragen. Niemand wil ze hebben, niet eens kado.

'Hee, huis-tuin-en keukenmadam die ze beter mevrouw Haaknaald tot Hoeslaken hadden kunnen noemen', zei hij. 'Ben je doof? Hoe is het met Greetje? Je weet wel, die figurant met de ziekte van Dow.' Ziekte van Dow? dacht ik. Dow? Ziekte? Je weet niet waar je het over hebt, man. Mevrouw Haaknaald? Ik en haken! Ik brei. Vergeet dat nooit meer. Ik gebruik alleen een haaknaald om eens in de zoveel tijd het rooster van het doucheputje te lichten. En soms als er een sok van Louis tussen de gaatjes in de trommel van de wasmachine is blijven steken. Mevrouw Hoeslaken tot Haaknaald. Papperdepal, papperdepal, last van een poetische aanval? Het klinkt mooi die twee h's, literair verantwoord, maar slaat eigenlijk nergens op. Lang over nagedacht? wilde ik vragen, maar hield mijn lippen stijf op elkaar.

Salko was niet te stuiten. 'Domme vrouw, je hebt geen eigen geluid', zei hij. 'Neem een voorbeeld aan de koningin, die kan er wat van. Waar zit je talent, geraffineerdheid en weerbarstigheid. In de lakens?' Ik draaide een krul in mijn uitgezakte permanent, dacht aan het kapsel van Hare Majesteit en haalde mijn schouders op. Lenie, Lenie, zei een stemmetje in mijn hoofd. Jij bent Lenie, Lenie, Lenie. Dat kan zij niet zeggen. 'Ik wed dat er niet een plekje in Nederland bestaat dat jou intrigeert', zei hij.

Wat moet ik met intrigerende plekjes, dacht ik terwijl ik het laatste laken op de lijn hees. Intrigerende plekjes, praat me er niet van. Ik krijg ze nauwelijks uit mijn wasgoed. Om een lang verhaal kort te maken: hij zei dat het nooit meer goed met me zou komen.

Binnen rukte ik de Bosatlas uit de kas van Opoe Bakker en sloeg de kaart van Nederland op. Ik wilde huilen, maar wat heb je daar aan als er niemand een arm om je heen slaat. Een troost: het was cryptodag. Ik had hem al bijna af, op een na natuurlijk. Net zo min als het me lukt die ene voetstap op mijn zwart-wit-geblokte zeil de keuken uit te dweilen, lukt het me een cryptogram op te lossen zonder dat er een hokje wit blijft. Maar de dag was nog jong. Zes horizontaal had ik nog niet: dode dode, met twaalf letters. Opeens viel mijn oog op Oudeschoot, een plaatsje onder Heerenveen. Daar wilde ik naar toe. In een oude schoot vindt iedereen troost, dacht ik. Ook Lenie Commandeur. Staat het Thialf ijsstadion daar niet? Nou en? Zolang de schoot maar niet is bevroren. Ik moest en zou er heen, maar niet voordat ik drie pennen had gebreid.

Om vier uur stond ik midden in een straat van een dorp dat op geen enkel bord was aangegeven. Leen, Leen, dacht ik. Echt weer iets voor jou. Troost zoeken in een dorp dat niet bestaat. Ik was helemaal van slag, want de buschauffeur had me aangekeken als een begrafenisondernemer die de maat opnam. Heel eng. Een slecht voorteken. Zonder koffie kon ik niet verder. Die dronk ik in het dorpscafe waar iedereen te dronken was om op zijn benen te staan, maar ik bij het naar buiten gaan struikelde over de klompen voor de deur. Het werd nog erger. Al lopend kwam ik erachter dat er twee oude schoten bestaan. Hoe meer schoten hoe meer troost? Was het maar waar. De Rijksstraatweg heeft de oude schoot in tweeen gescheurd! Ik voelde me zo beroerd dat ik naar het kerkhof op de terp ben gegaan en daarna naar het kerkhof aan de overkant van de Rijksstraatweg. Daar kwam ik tot mezelf en schoot me de oplossing van de crypto te binnen. Dode dode, is herhaaldelijk, herhaalde-lijk.

Wolcom yn Aldskoat, las ik op de terugweg op een bord aan de kant van de Schoterlandse weg. Te laat, het hoefde voor mij niet meer. Weg, weg, ik wilde naar huis.

Alleen het echtpaar dat me de weg wees naar de bus terug naar Heerenveen was aardig. Als je maar vertrekt, dacht ik. Dan ben je overal welkom. Maar vergis je niet in Lenie Commandeur. Ze komt terug!

Met vriendelijke groet, Lenie Commandeur

P. S. (1): Ik zou geen Lenie heten als ik u geen tip gaf. Heeft u last van muizen? Druppel dan menthol op een wattenbolletje, leg het op een schoteltje onder uw bed. En dood zijn ze. P. S. (2): Groeten van Louis. Hij heeft reservedienst en zou niet voor enen thuis zijn, maar ik hoor het tuinhekje al knarsen.

Flip Willemsen debuteerde in april 1990 met de roman De gelaagde sneeuwman.