Een Chinese struik

Er moeten, veronderstel ik, mensen bestaan die als ze in een tuin-encyclopaedie lezen dat een bepaalde plant het best gedijt in diepe schaduw, het boek spijtig dichtklappen en zeggen: ' Ach, wat is dat nou jammer.'

Schrijvers van tuinboeken proberen de bezitters van veel schaduw te overtuigen dat de planten die daarin groeien verreweg het interessantst zijn, dat het tuinieren onder die voorwaarden pas je ware is. Het is een beetje of je holbewoners tracht te overtuigen dat ze zich geen zorgen moeten maken: bleek is beautiful! Zijn hun woningen 'szomers niet lekker koel en is hun wijn niet altijd op de juiste temperatuur? Maar zoals de holbewoner nog steeds verlangt naar een vensterbank met een bloembak, zo verlangt de schaduwtuinier naar de onbereikbare, verboden plant. Het grootste deel van de tijd is hij tevreden met zijn eigen werkelijkheid, maar soms wordt het hem te machtig; hij leest een beschrijving van zo'n verboden gewas, of hij ziet er ergens een, en iets in hem begeeft het. Hij sluipt het huis uit en koopt de begeerde plant, gauw, voordat de rede een kans krijgt tussenbeide te komen. Met mij was het een klein Chinees struikje. Een klein Chinees struikje met blauwe bloempjes om precies te zijn, luisterend naar de ongemakkelijke naam van Ceratostigma willmottianum. ' Een briljante en wintervaste keuze voor de late herfst. .'

schrijft Robin Lane Fox in Better Gardening, '..een van de beste selecties in dit boek..een van de mooiste aanwinsten voor onze tuinen van deze eeuw..wie deze scherpomlijnde cobaltblauwe bloemen ziet, waar de late herfstvlinders door worden aangetrokken, die zal er zeker zelf een willen hebben.'

Toch waren het niet deze superlatieven die bij mij de stoot gaven tot de roekeloze aanschaf van deze plant, maar de geschiedenis van haar ontdekking, in China in 1908. Lane Fox beschrijft hoe een zekere G. F. Wilson de plant aantrof, groeiend in grote trossen op de droge hellingen van de rivier de Min, ver in het hoogland van Sichuan. ' Een van de meest betoverende verloren landschappen van de botanische wereld', aldus Lane Fox. Wilson schudde de zaden van de struiken en nam ze mee naar Engeland, waar er, in de tuin van ' the formidable Miss Wilmott', maar twee van ontkiemden. ' Van deze twee, ' schrijft Lane Fox, ' stammen vrijwel zeker al onze huidige planten af'.

De gedachte een van die afstammelingen in mijn tuin te hebben was onweerstaanbaar; maar helaas, van het verhaal van Lane Fox blijkt bij nader inzien niet veel te kloppen. G. F. Wilson, een leliespecialist en een vroege voorvechter van 'natuurlijk' tuinieren, kan moeilijk in 1908 in Chinese rivierbeddingen hebben rondgeklauterd, want hij bleek al overleden te zijn in 1902. De plant werd ontdekt door een andere Wilson. Deze Ernest Henry 'Chinese' Wilson (1876-1930), was een beroemde plantenverzamelaar; toen bij het eeuwfeest van zijn geboorte een lijst werd opgemaakt van de door hem in de Britse tuinen geintroduceerde exotische planten, stonden er 600 namen op van planten die nog worden geteeld, en nog eens 400 die niet meer achterhaald konden worden. De Ceratostigma willmottianum was bij de Chinezen natuurlijk bekend lang voor Wilson de vallei van de Min bereikte (je vraagt je bij zo'n verwijzing naar Miss Willmott af wat de Chinezen daar nu eigenlijk van denken); hij groeit trouwens ook in Guizhou, Yunnan en zuidoostelijk Tibet.

De wortels hebben in China de reputatie geneeskrachtig te zijn: zij zijn pijnstillend en helpen tegen ontstekingen. In het Chinees heet de plant Zijin lian, hetgeen vreemd genoeg 'paars-gouden lotus' betekent en blijkbaar slaat op de roodkoperkleurige stengels; de fraaie en meer passende naam Lanxue hua, 'Blauwe sneeuwbloem', was al ingepikt door de armere tak van de familie, C. plumbaginoides. De omstandigheden in mijn tuin lijken niet veel op degene die in de vallei van de Min worden aangetroffen; desondanks staat mijn Ceratostigma willmottianum al sinds eind juli in bloei. De bloemen zijn inderdaad het schitterendste blauw dat men zich voor kan stellen, een bodemloos blauw, of je er in kunt; en echt blauw, niet tuiniersblauw (d.w.z. lichtpaars); ze zijn nogal klein en groeien in trossen. De struik zelf heeft iets nauwkeurigs, niet pretentieus maar ordelijk; je kan zien dat hij goed zou staan in een gemengde border. Christopher Lloyd adviseert de combinatie met een rode fuchsia. Lloyd is ook, zoals gewoonlijk, de enige schrijver die de verschillende bloeitijden heeft opgemerkt en er een verklaring voor geeft.

Hier heb je, volgens vele boeken, een plant voor de late herfst; je plant haar in je tuin en zij bloeit in juli. Broeikaseffect, denk je vaag, maar niets daarvan. Het bloeien hangt af van hoe streng de winter is geweest; uitlopers die in mei dood worden aangetroffen - eerder moet men de plant niet aanraken - worden afgeknipt en daar komen dan nieuwe voor in de plaats die bloeien in de herfst. Maar aan uitlopers die overleefd hebben komen in de vroege zomer al bloemen. Met wat geluk zou je zo een eindeloze bloeitijd kunnen krijgen, met steeds weer nieuwe bloemen. In Nederland wordt de plant beschreven als 'niet bijzonder winterhard', dus een bedekking is aan te bevelen. Of mijn Ceratostigma zal overleven, op zijn nogal donkere plek, zal de tijd leren. Zoniet dan blijft de herinnering: de eventuele pijn (of ontsteking) kan dan nog worden genezen door de wortels op te eten.