De PvdA fixeert zich op het minimabeleid; De ereplicht van Wim Kok

Daar was het dan toch weer, terug van weggeweest: het befaamde koopkrachtplaatje. De wereld sprak over de crisis in de Golf, maar Wim Kok over nul procent voor de minima, versus een procent voor de hoogste inkomens.

Na 'tijd voor een ander beleid', wat PvdA-lijsttrekker Kok vorig jaar rond deze tijd in de verkiezingscampagne dagelijks riep, is het nu voor hem, inmiddels tot het kabinet toegetreden, tijd voor profiel. En welk punt leent zich daar beter voor dan de koopkrachtpositie van de minima? Helaas voor Kok: het moment komt altijd ongelegen. Zijn strijd voor de laagstbetaalden werd geheel overschaduwd door de oorlogsdreiging in het Midden-Oosten en maakte daardoor vooral een bekrompen indruk. Want waarom nu zo steggelen over een procent terwijl het over een paar maanden, als de hele wereld in een economische recessie zit, niet over vooruitgang maar achteruitgang gaat, en wellicht ook niet over een procent, maar vele procenten? Intussen ziet het er wel naar uit dat Kok deze slag in het kabinet gaat winnen en dat is natuurlijk altijd goed voor het zelfvertrouwen van de PvdA. Met veel passen en meten lijkt, althans op papier, een koopkrachtbeeld in 1991 te ontstaan waarin iedereen er ongeveer een half procent op vooruitgaat. Om de gedachten te bepalen: voor de minima gaat het hier per maand om het prijsverschil van een volle tank benzine nu en een volle tank van voor de Golfcrisis. Maar het gaat de PvdA dan ook om het principe. Opgelucht lopen PvdA-Kamerleden (voor zover zij niet nog met vakantie zijn) over het Haagse Binnenhof. Hoezo onder het juk door van het CDA? De partij ging eensgezind voor een rechtvaardiger inkomensverdeling staan en zie: er komt een rechtvaardiger inkomensverdeling. Wie durft nog te zeggen dat Wim Kok een kloon van Ruding is? Heeft Ruding zich ooit sterk gemaakt voor de positie van de laagstbetaalden? De in een feestroes verkerende PvdA'ers hebben gelijk. Zodra het over de minima gaat, doet niets van Koks woorden nog aan Ruding denken. Waar Ruding het nog wel eens wilde hebben over het ondraaglijke toptarief in de loon- en inkomstenbelasting, heeft Kok het over de 'ereplicht' die hij heeft om een 'samenhangend inkomensbeleid' te bereiken, waardoor alle mensen gelijkmatig kunnen delen in de zich ontwikkelende welvaart.

Bijstandsmoeder

Die ereplicht lijkt Kok, althans op papier, te kunnen inlossen. Dat de werkelijkheid anders is, doet voor politici veel minder te zake. Als het CPB-beeld maar klopt, daar gaat het om. Maar neem de AOW'er met een niet geisoleerd huis op het platteland. Die ziet straks zijn besteedbaar inkomen wel degelijk achteruitgaan, als de energieprijzen blijven stijgen. Dit in tegenstelling tot de leeftijdgenoot in de stad die daar in een blok met goed geisoleerde woningen en dus lagere stookkosten woont.

Of neem de bijstandsmoeder die toevallig in een plaats woont waar de reinigingslasten worden verdubbeld, omdat de plaatselijke vuilverbranding dicht moest en de afvalverwerking nu elders geschiedt, dus veel duurder is geworden. Ook die ziet straks dat zij, ondanks de beloften uit Den Haag, minder te besteden heeft. Het is juist de schijnzekerheid van de koopkrachtmodellen (gebaseerd op gemiddelden) tegenover de praktijk van alle dag die telkens voor zoveel frustratie bij de kiezer zorgt en die ertoe leidt dat deze zich gedesillusioneerd van de politiek afwendt.

Waarom haalt Kok zich dit allemaal op de hals? Is de inkomensverdeling in Nederland een 'hot issue'? Nee. Uit het binnenkort te verschijnen Sociaal en Cultureel Rapport 1990 van het Sociaal en Cultureel Planbureau zal zijn op te maken dat de Nederlandse bevolking de verhouding tussen de verschillende inkomensgroepen in het geheel niet als probleem ziet. De zorg voor het milieu staat bovenaan de lijst, gevolgd door werkloosheid, criminaliteit, wapenbeheersing en de roep om gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Enqueteurs die in opdracht van het Sociaal en Cultureel Planbureau het onderzoek deden, werden zelfs zo weinig met het thema inkomensverdeling geconfronteerd, dat het niet eens als apart punt op de lijst werd genoteerd, maar onder de categorie 'overigen' moest worden ondergebracht.

Scheve verhouding

Het kan natuurlijk een 'onderwerp' worden als een kabinet drastisch gaat schuiven in de verhouding tussen de inkomensgroepen. Kok zag waarschijnlijk de krantenkoppen na Prinsjesdag al voor zich toen hij de laatste rekenexercities van het Centraal Planbureau enkele weken geleden onder ogen kreeg. 'Hoogste inkomens meer vooruit dan laagste inkomens'. Leg dat, zes maanden voor de voor de PvdA toch al zo cruciale Statenverkiezingen, maar eens uit aan de achterban. Toch zou een Partij van de Arbeid die zich werkelijk aan het vernieuwen is daartoe best een poging mogen wagen. Allereerst zou dan duidelijk moeten worden gemaakt hoe het komt dat volgend jaar die scheve inkomensverhouding ontstaat. Want het is geen bewuste keuze voor denivellering, zoals in het recente verleden wel het geval is geweest, maar veel meer een gevolg van allerlei op zich zelf staande ontwikkelingen.

Het heeft bijvoorbeeld te maken met de volgende fase van het nieuwe ziektekostenstelsel dat nu ook door de PvdA wordt omarmd, sterker nog: waarvoor een PvdA-staatssecretaris tegenwoordig de volle verantwoordelijkheid draagt. Dat stelsel wordt gekenmerkt door een premie die voor het belangrijkste deel afhankelijk is van het inkomen en dus naar draagkracht wordt geheven, maar die voor een klein deel en dat is het grote verschil met het oude ziekenfonds ook bestaat uit een voor iedere verzekerde gelijk vast bedrag. Dat vaste bedrag tikt voor de laagste inkomens verhoudingsgewijs zwaarder aan dan voor de hogere inkomens, maar die keus is dan ook bewust gemaakt. Ook binnen de PvdA werd erkend dat de ziekenfondspremie 'oude stijl' in sommige gevallen een te ver doorgeschoten vorm van solidariteit was. Het heeft ook te maken met de systematiek van de premieheffing voor de sociale verzekeringen. Bovenminimale inkomens betalen tot een bepaalde grens een relatief hogere premie dan de lagere, en profiteren dus ook meer van een premieverlaging. Onrechtvaardig? Wie zich achter de verzekeringsgedachte schaart, moet niet morren over denivellering die op deze manier ontstaat.

Pal

De PvdA kan na de begrotingsbesprekingen in het kabinet in elk geval weer door het leven als de partij die pal staat voor de minima. Maar had de partij dat stempel niet reeds dit deel van het electoraat stemde toch al in overgrote mate PvdA? Maar hoe zit het met de inkomensgroepen net boven de minimumgrens de mensen die van elke extra verdiende gulden nauwelijks iets overhouden, omdat wegens het hogere inkomen dat zij verwerven bijvoorbeeld hun huursubsidie wordt verlaagd, het schoolgeld voor hun kinderen wordt verhoogd, of de eigen bijdrage aan de gezinsverzorging omhoog gaat? Het PvdA-Kamerlid Melkert wierp in mei van dit jaar in het blad Socialisme en Democratie de vraag op: 'Leidt overmatige aandacht voor inkomensvoorzieningen (primair, secundair, tertiair) niet tot verlamming van sociale mobiliteit (wegvallen van prikkels, armoedeval)? Is de ambitie van veel mensen niet gewoon gelegen in opwaartse sociale mobiliteit (aansluiting bij de middenklasse)? Wordt de PvdA juist ten aanzien van die ambitie niet eerder als bedreigend dan als beschermend ervaren? Om deze essentiele vragen zijn de PvdA-ministers, door simpelweg te kiezen voor het vertrouwde 'koopkrachtplaatje', weer met een grote boog heengelopen.