DE MOEILIJKHEID VAN HET VOORSPELLEN VAN EEN AARDBEVING

Aardbevingen behoren tot de zwaarste natuurrampen die wij kennen en eisen jaarlijks (gemiddeld) zo'n 10.000 slachtoffers en een enorme materiele schade. Veel leed zou kunnen worden voorkomen wanneer men de komst van een aardbeving zou kunnen voorspellen. In vooral de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie, China en Japan wordt daarom veel onderzoek verricht naar de 'voortekenen' van aardbevingen, maar de resultaten daarvan zijn nog maar zeer pover. Mede daarom blijft de passieve preventie in aardbevingsgevoelige gebieden zo belangrijk.

Aan het voorspellen van aardbevingen zitten overigens niet alleen wetenschappelijke, maar ook politieke en economische kanten. Het waarschuwen voor de komst van een aardbeving is heel iets anders dan het waarschuwen voor de komst van bijvoorbeeld een orkaan. Orkanen worden uren, hooguit dagen van tevoren aangekondigd, terwijl men op een aardbeving soms vele jaren moet wachten. Er zijn ook geen duidelijke aanwijzingen die de komst van een aardbeving aankondigen, zodat men geheel op de voorspeller(s) moet vertrouwen. En als er op de bewuste dag niets gebeurt, zullen de mensen niet weten of de beving misschien toch (zwakker of elders) heeft plaatsgevonden, of dat hij alsnog zal kunnen plaatsvinden. Dit alles betekent lange tijd twijfel en onzekerheid en deze zouden het sociale en economische leven belangrijk kunnen verstoren.

PREDICTIE

In het begin van de jaren zeventig waren geologen en seismologen nog vol vertrouwen dat het niet lang meer zou duren voordat bevingen zouden kunnen worden voorspeld. Maar al spoedig bleek dat de voortekenen van een beving moeilijk te detecteren en nog moeilijker te interpreteren zijn. Tegen het einde van dat decennium was er nog maar weinig vooruitgang geboekt en was men veel voorzichtiger geworden inzake het dilemma van het al of niet aankondigen van een mogelijke beving. Het zag er naar uit dat een enigszins verantwoorde predictie vooralsnog alleen mogelijk zou zijn in een zeer beperkt aantal gunstig gelegen gebiedjes.

Brian Brady, een geofysicus van het Amerikaanse Bureau of Mines, was niet zo voorzichtig. In de jaren zeventig had hij een methode ontwikkeld waarmee hij aardbevingen zou kunnen voorspellen. Die methode was gebaseerd op zijn onderzoek in het laboratorium naar het bezwijken van gesteente, onderzoek dat hij naar de 'echte' aardkorst meende te kunnen extrapoleren. Gebruikmakend van gegevens over de lokatie van aardbevingen van Bill Spencer, een collega die op de Geological Survey werkte, voorspelde hij in 1975 dat zich in juni of juli 1981 een zware aardbeving zou voordoen vlak voor de kust van Peru, op de breedte van de hoofdstad Lima. De gevolgen van die beving zouden catastrofaal zijn, niet alleen omdat de beving een van de zwaarste van de eeuw zou zijn, maar ook omdat in het desbetreffende gebied vijf miljoen mensen woonden. Er zouden vele honderdduizenden slachtoffers kunnen vallen.

Wat moest men van deze met veel overtuiging gebrachte voorspelling denken? En wat zou er nu gedaan moeten worden? In The politics of earthquake prediction beschrijven de auteurs aan de hand van authentieke documenten uit Amerikaanse en (in geringe mate) Peruviaanse archieven hoe het aanvankelijk puur wetenschappelijke debat over de voorspelling van Brady uitgroeide tot een politiek probleem voor allerlei instanties en instituten. Zij volgen in de vorm van een soort logboek de worsteling van wetenschappers en overheidsfunctionarissen in zowel de Verenigde Staten als in Peru om te doen wat in deze periode van grote onzekerheid juist zou moeten zijn, of om op zijn minst te proberen het verkeerde na te laten.

Doordat Brady een geheel eigen methode van interpreteren en voorspellen had, en daar niet al te duidelijk over deed, vonden zijn collega-wetenschappers het moeilijk om de waarde van zijn methode c.q. voorspelling te taxeren. Aan de andere kant was het duidelijk dat, wanneer de voorspelling juist zou zijn, er iets vreselijks zou gaan gebeuren. Andere, meer menselijke factoren, zoals de traditionele rivaliteit tussen verschillende onderzoeksinstellingen, de druk van hulporganisaties en de aandacht van de media, maakten de zaak nog gecompliceerder. Ieder had zijn eigen belangen en zijn eigen idee over wat 'het juiste' was. Voor sommigen, zoals organisatoren van rampenbestrijding en seismologen in Peru, had de voorspelling ook een positieve kant: men had nu argumenten om meer financien los te krijgen.

ONZEKERHEID

Onder de druk van de onzekerheid en complexiteit werden de wetenschappelijke discussies over de waarde van Brady's voorspelling steeds feller. In januari 1981, zes maanden voor de beving zou plaatsvinden, verdedigde Brady zijn voorspelling tijdens een hoorzitting voor een vooraanstaande groep van wetenschappers. Zijn voorspelling werd verworpen en de wetenschappelijke gemeenschap keerde zich nu tegen hem. Naarmate de bewuste dag naderde, vonden er in Lima op kleine schaal vrijwillige evacuaties plaats, maar de overheid drong niet aan. En op de bewuste dag zelf... gebeurde er niets. In de daaropvolgende paar jaar deed Brady op zijn minst nog een specifieke voorspelling voor een beving bij Lima, maar die werd binnenskamers gehouden. En opnieuw gebeurde er niets. Brady verloor de belangstelling voor zijn theorie; de strijd was voorbij.

De auteurs vellen geen oordeel over de gang van zaken en uiten geen beschuldigingen tegen de verantwoordelijke personen. Hun doel was het zo objectief mogelijk beschrijven van de wisselwerking tussen samenleving en wetenschap in de lange periode van onzekerheid. Bovendien, zo merkte een van de betrokkenen achteraf op, ' verloren we allemaal, sommigen meer dan anderen, maar we verloren allen'. Mede door deze objectiviteit is The politics of earthquake prediction een intrigerend en bijna spannend te noemen boek geworden over een aspect van aardbevingsvoorspellingen waarover nog maar weinig bekend is.