DE DIKKE MAN (XIX)

Het was nog nauwelijks middag, en De Dikke Man voelde zich al alsof hij er een complete dagtaak op had zitten. Hij stond nog steeds voor De Allereerste Bioscoop Die Hij Ooit Bezocht Had, maar zijn melancholie had plaatsgemaakt voor woede; agressie die gericht was tegen het eigen, dreinende lijf, dat almaar treiteriger om voedsel en drank zeurde, het gaf niet wat, als het maar vast of vloeibaar was, zoet of zout, warm of koud, vegetarisch of bloederig rauw, vet of mager, vissig, kleverig, fijngemalen, dun, dik, klonterig, stroperig. Dit was geen Honger of Dorst meer dit steeg ver boven enigerlei normaal menselijke behoefte uit. Het duizelingwekkende spectrum van een bijkans oneindige reeks gerechten schoot, compleet met diverse bereidingsmogelijkheden, aan zijn geestesoog voorbij. Hij greep naar zijn hoofd, snakte naar adem, en dacht: Dit valt niet te verkopen ik heb een Voedsel-Delirium.

Toen was het opeens voorbij. Hij strompelde verder, de brede Ring Boulevard af, die de grens vormt tussen het Zuidelijk Kwartier en de Overige Wijken. Langzaam keerde de rust in hem terug. Hij zweette en zijn mond was droog; maar hij had tenminste zijn hersens weer bij elkaar. Hij dacht aan The Lost Weekend en vervolgens weer aan die Allereerste Film Die Hij Ooit Had Gezien; aan Doris Day in On Moonlight Bay. Nog steeds kende en koesterde hij het gevoel van Een Jaren Vijftig-Bries die koel langs zijn dunne, blote jongensbenen streek; het wonder van Technicolor; Het Echte Lachen om Laurel en Hardy.

Hij bleef staan voor een postmodernistisch etablissement, dat Gooi Op! bleek te heten. Hij beet hard op zijn tong. Tranen van pijn schoten in zijn ogen godverdegodver, dit was toch wel het ergste dat hij de afgelopen achtenveertig uur te verwerken had gekregen; een werkwoordsvorm als naam! Gooi Op! In wat voor tijdsgewricht leefde hij? Kennelijk was ook wat betreft De Namen het hek van de dam; alles kon naar alles genoemd worden.

Waarom stapte hij nu kordaat, zonder enige aarzeling dat Gooi Op! binnen? Naallesmeegemaakt te hebbenwilde hijalleen nog maarmoes-tuin-gelukdichtte hij, en keek recht in het gezicht van De Moedeloze Uitgever, die daar van een buitengewoon geraffineerde salade zat te eten. 'Kan ik je wat aanbieden?', vroeg De Moedeloze Uitgever. 'Heb je dan niemand om mee te lunchen?', vroeg De Dikke Man.

De Moedeloze Uitgever schudde somber van nee. 'Maar je bent, naar ik hoor, toch weer bij je vrouw terug', zei De Dikke Man. 'Wat heeft dat er nou mee te maken', zei De Moedeloze Uitgever enigszins kwaad. 'Alles', zei De Dikke Man. 'Dat hoor je trouwens tegenwoordig nog maar zelden, dat een man teruggaat naar zijn eigen vrouw. Vroeger gebeurde dat, meen ik, veel vaker is 't niet?' 'Ik weet het niet', zei De Moedeloze Uitgever. 'En je vriendin? Ik bedoel: die vriendin die je verlaten hebt om terug te gaan naar je eigen vrouw? Wat is er nou van die vriendin geworden?' 'Die is weer terug naar haar man', zei De Moedeloze Uitgever. 'Wat vertel je me nou!', riep De Dikke Man uit, 'daar heb ik nou wer-ke-lijk nog nooit van gehoord, nooit, dat beide partijen na het overspel terugkeren naar de oude, vertrouwde basis. Mijn god? Wat ontstellend lullig.' D e Moedeloze Uitgever keek gewond op. 'En een van mijn auteurs is ook weggelopen', zei hij. 'Wat vertel je me nou? Nieuws?', vroeg De Dikke Man. 'Niks voor de Klaas Shows', zei De Moedeloze Uitgever, en noemde de naam van de desbetreffende schrijver. 'Maar die verkoopt toch helemaal niet', zei De Dikke Man. 'Daar gaat het toch niet om', zei De Moedeloze Uitgever. 'Je hebt toch een band samen.'

'Een band?', zei De Dikke Man. 'Laat me niet lachen. Die band bestaat alleen maar in de zieke breinen van al die vaderlandse uitgevershuizen. In normale landen is er toch geen sprake van enige vertrouwelijke relatie tussen de gemiddelde auteur en zijn of haar uitgever.'

'Wat ben jij cynisch geworden', verzuchtte De Moedeloze Uitgever. 'Wat krijgen we nou!', riep De Dikke Man blij-boos uit. 'Jullie zijn cynisch, jullie uitgevers om een puur zakelijke overeenkomst te verhullen onder het dekbed van te declareren vertroetelpartijtjes en voorts van Vriendschap te reppen dat noem ik cynisch.'

'Als een vader heb ik voor hem gezorgd', probeerde De Moedeloze Uitgever nog. 'Niemand die dat van je verwacht, en zeker zo'n auteur niet. Die wil alleen maar verkocht worden. En daarom is hij van je weggelopen', zei De Dikke Man.

Hij stond op, liep de deur uit, en botste op De Dikke Vrouw. 'Ga jij daar naar binnen? In Gooi Op!, bedoel ik', zei hij. 'Jij komt er zelf anders net uit', zei De Dikke Vrouw lachend. 'Per ongeluk', zei De Dikke Man.

De Dikke Vrouw bekeek hem rustig, van top tot teen, en zei: 'Het gaat niet goed met je'.

'Ik moest net denken aan het meisje dat ooit een appeltaart door de brievenbus van haar geliefde propte, die voorgaf niet thuis te zijn', zei De Dikke Man. Dat vind ik toch zo'n ontroerend beeld, een gekreukte jonge vrouw die zoiets doet. Alleen jammer dat ze zich in de brievenbus vergiste. Wat zal de buurman van die vriend raar hebben opgekeken.'

'Wat doe je allemaal?', vroeg De Dikke Vrouw, 'waar hang je uit? Werk je nog bij die Klaas?' 'Ja', zei De Dikke Man, en slikte even een prop weg. 'Ja. Ik werk nog bij die Klaas.'

'Dat is toch ver beneden je niveau', zei De Dikke Vrouw, zeer rustig. 'In menselijk opzicht, dan.'

'Wat moet ik nou zeggen?', fluisterde De Dikke Man. 'En je schreef vroeger zo goed', zei De Dikke Vrouw, onbarmhartig aardig. 'Ja. Vroeger', zei De Dikke Man. 'Dat verleer je toch niet', zei De Dikke Vrouw. 'Dat niet', zei De Dikke Man, 'Maar het gaat steeds langzamer en ik wil niet nog een keer die stekende pijn, midden in de nacht, al die apparatuur, dat gedoe.' 'Sorry', zei De Dikke Vrouw. 'Maar ik vroeg het, omdat ik het echt leuk vind om je te zien. Dan kun je toch maar beter dat soort dingen vragen. Ik bedoel vorige week was ik op een begrafenis, en daar kom ik een heel oude vriendin tegen die meteen aan me vraagt: 'En? Neuk je nog wel eens?' Dat vind ik zo toch zo hard, zo gevoelloos.'

'En? Neuk je nog wel eens?', vroeg De Dikke Man.

De Dikke Vrouw lachte. 'God, jongen, ik ben al vijfenvijftig.'

'So what', zei De Dikke Man, 'ik vind je hartstikke mooi. Dat ben je trouwens altijd geweest. En alle mannen wilden altijd met je naar bed. En je hebt het met een hoop gedaan.'

'Wie dan?', vroeg De Dikke Vrouw, een tikje gepikeerd. 'Met mij bijvoorbeeld', zei De Dikke Man. 'Ja. Mijn god. Maar jij dook en duikt overal op', zei De Dikke Vrouw. 'En met De Melancholieke Tekenaar daar ben je ook mee geweest', zei De Dikke Man. 'Met wie is die niet geweest?', zei De Dikke Vrouw. 'En de Geweldig Leuke Televisie Humorist, met hem heb je het toch ook een tijdje gedaan?', vroeg De Dikke Man. 'Dat was geen kunst', zei De Dikke Vrouw. 'Maar wat zou je dan willen?', vroeg De Dikke Man. 'Ik zou het met iemand willen doen die niets van mij moet hebben', zei De Dikke Vrouw.(wordt vervolgd)