DE ARCHITECT ALS DENKMACHINE

'Kijk, dat is natuurlijk wel leuk. Heb je hier een driehoek, een cirkel en een vierkant. Dan maak ik hier een rechthoek van... .' Hier is onmiskenbaar een architect aan het werk. De opdracht luidt: een jeugdvoorziening voor zes- tot zestienjarigen, bestaande uit twee speelplaatsen, een grasveld en een gebouwtje in een stadsvernieuwingsgebied. Deze opdracht werd echter niet door het plaatselijke gemeentebestuur verstrekt, maar door de psycholoog Ronald Hamel, die in het kader van zijn promotie onderzoek deed naar het ontwerpproces bij architecten.

Voor de buitenstaander lijkt het scheppingsproces misschien een geheimzinnige aangelegenheid, waarvan creativiteit, inspiratie en de goddelijke ingeving deel uitmaken. We zien de architect peinzend over de rand van zijn bril staren om plotseling een paar krabbels op papier te zetten. Even later wordt het ontwerp hoofdschuddend naar de prullenbak verwezen. Voor de psycholoog zijn begrippen als 'creativiteit' en 'inspiratie' echter weinig bruikbaar. Dat wil niet zeggen dat ze geen deel uitmaken van het ontwerpproces, maar er komt nog zoveel meer bij kijken.

Ronald Hamel beschouwt het ontwerpproces als een voorbeeld van probleem-oplossen. Sinds de studie van A. D. de Groot, Het denken van den Schaker uit 1946, is er in dit kader al veel onderzoek verricht, onder meer op het gebied van medische expertise, rechterlijke beslissingen en het oplossen van natuurwetenschappelijke problemen. Het 'probleem' van het ontwerpen hoort eveneens in die reeks thuis.

BESCHRIJVEND MODELHet 'creatief procede' valt bij architecten te omschrijven als het vertalen van een geschreven opdracht in een concreet ruimtelijk ontwerp. Nu beschikt de architect op het eerste gezicht niet over spelregels om tot een oplossing te komen, in tegenstelling tot de schaker. Hamel onderzocht of architecten toch niet volgens een algemeen patroon te werk gaan. Hij stelde een model op aan de hand van de benodigde taken die de architect moet vervullen en de handelingen die architecten zelf verrichten tijdens het ontwerpen. Hiertoe gaf hij vijfttien ervaren architecten dezelfde opdracht, die binnen twee uur een eerste toonbare schets moest opleveren. De proefpersonen werd gevraagd bij elke stap hardop na te denken, zodat het hele ontwerpproces op band kon worden vastgelegd. Dit levert een beschrijvend model op van het architectonische ontwerpproces, dat weer aan de praktijk kan worden getoetst. De specifieke taken van het ontwerpproces worden onderverdeeld in vier hoofdcategorieen. In het taakschema leidt de architect informatie af uit de opdracht. De analyse bestaat uit het opdelen van de opdracht in deelproblemen en het oplossen hiervan. Bij de synthese combineert de architect de deeloplossingen en bij de vormgeving voegt hij de resultaten samen tot een ontwerp. Op elk van deze niveaus zijn achtereenvolgens drie fasen van toepassing die kenmerkend zijn voor elk geval van probleem-oplossen: orientatie, uitvoering en evaluatie. Het eigenlijke vormgeven vindt dus pas in het allerlaatste stadium plaats; als de vormgeving is geevalueerd, ligt het ontwerp kant en klaar op de tekentafel.

Nu alles zo keurig op een rijtje staat, blijft de vraag of er nog plaats is voor creativiteit binnen dit schema. Hamel keert zich echter tegen de veronderstelde tweedeling tussen het oplossen van problemen enerzijds en het scheppen van vormen anderzijds. De beeldende kant van het ontwerp is juist nauw verbonden met de diverse deelproblemen. Het creatieve gedeelte zou voornamelijk plaatsvinden bij het samenvoegen van de onderdelen. Dergelijke overwegingen staan zijn aanpak niet in de weg: ' De vrees is ongegrond dat met de poging het creatieve handelen te doorgronden dit handelen wordt vernietigd.'

Enkele van de deelnemende architecten betwijfelden of hun werkwijze wel in een systematisch model was te vatten. Zij ervoeren het ontwerpproces als een willekeurige opeenvolging van handelingen. Hamels model bewijst het tegendeel, maar dit betekent niet dat iedere ontwerper zich bewust zou zijn van zijn werkwijze. Slechts een van de vijftien proefpersonen voelde zich daadwerkelijk gehinderd door het verplicht hardop denken en was van mening dat zijn ontwerpproces hieronder zou lijden. Hij overschreed weliswaar de gestelde tijdslimiet, maar het verslag van zijn ontwerpproces week niet noemenswaard af van dat van de anderen. Verwonderlijk is dit niet: een profwielrenner die over elke beweging hardop na moet denken zal ook van zijn fiets af vallen.

RECEPTHamels model geeft een adequate beschrijving van het architectonische ontwerpproces, maar het is in de eerste plaats een hypothese over de werking van de menselijke geest. Op het psychologische vlak blijkt dit model zich goed te handhaven. De gevolgde methoden bleven betrouwbaar. Er deden zich slechts enkele afwijkingen voor in de volgorde van de denkstappen. Dit betrof dan meestal het overslaan van een of meerdere stappen.

Het model levert echter geen recept voor een ideaal gebouw. De uiteenlopende ontwerpen waarmee de vijftien deelnemers voor de dag kwamen werden door Hamel niet op hun kwaliteiten beoordeeld; het ging hem uitsluitend om het ontwerpproces. Hamel probeerde de 'spelregels' te achterhalen. En wat bij het schaakspel opgaat, geldt ook voor het ontwerpen: wie de regels maar opvolgt, kan een oneindig aantal verschillende partijen spelen.

Maar ook richtlijnen voor het optimale ontwerpproces vallen buiten de mogelijkheden. De beslissende factoren, zoals vereiste kennis en ervaring, lopen hiervoor per architect, en ook per opdracht te veel uiteen. Bovendien zijn deze factoren vaak slechts indirect te bepalen. Een globale beoordeling is wel mogelijk. Uit het model kan ook een prescriptieve theorie worden afgeleid, waarmee ontwerpprocessen kunnen worden beoordeeld.

Wie ook iets kunnen leren van dit model zijn de opdrachtgevers. Hun programma van eisen is immers de eerste informatiebron waarover de architect beschikt. Omdat de informatie in het begin van het ontwerpproces de meeste invloed heeft op het ontwerp, moet de opdracht niet al te vaag luiden. Hoe algemener de opdracht, hoe meer de architect op zijn eigen kennis en ervaring zal moeten afgaan. Hierdoor kunnen eisen die niet expliciet in de opdracht staan, over het hoofdworden gezien.

De architectuurcritici, tenslotte, kunnen na deze studie in ieder geval niet meer beweren dat er over een ontwerp niet is nagedacht.